'Omdat er altijd zondebokken moeten zijn, hoort ge niet goed? Dat is het leven. 't Is hard als ge 't zelf moet zijn, maar er is iets als geluk en geen geluk in 't leven.'
'De meeste wetten zijn op geluk gebaseerd, heel de orde van de Staat,' zei Peter.
'En de zondebok was een Lam,' zei de Kei.
'Nee! Nee!' riep Louis koppig.
De Kei sprak trager dan ooit, die dag. 'Hoe onrechtvaardig onze gemeenschap kan zijn, kijk rondom u, toch is zij onze mogelijke redding. Ik zal het niet meer meemaken, maar zij kan gered worden. Gelijkheid en rechtvaardigheid, die begrippen die zo kunstig worden rondgestrooid door precies diegenen die ze elke dag vertrappen, kunnen alleen door de gemeenschap komen, door de staat, maar welke staat? Die van God? Welke God? Hij die het gezicht heeft van de ander. Welke revelatie hebben wij te verwachten voor wij erkennen dat er in de werken van de mensen iets goddelijks is? Geen revelatie? Neen? Toch? Nee. Het beestachtige dat ons overvalt, jongens, de gruwelen zonder weerga waarvan men geen weet wil hebben, ik geef toe, daar valt geen sprankeltje in waar te nemen van het licht dat ik God noem, en dat ik dacht in elke mens te zien gloeien. En toch die God die, zoals Paulus zegt, onbekend zal blijven, waar kan hij zijn als wij willen dat hij er ooit is? In de vernederdsten onder ons.'
'In Ceusters en de Coene,' zei Louis luid. De sluimerende klas spitste de oren. De Kei zei: 'Ja.' Hij zweeg een hele tijd. Alsof hij overgeplaatst werd naar een ander lesuur en in een andere klas begon hij een lang verhaal over Mozes en dat het amusant was - waarbij hij moeilijk grijnsde, met zijn gedachten ergens anders - dat Michelangelo de profeet met hoornen had afgebeeld, geinspireerd door een fout in de Bijbelvertaling, facies cornuta in plaats van coronata.
In de leeszaal van de leraren gaf de Kei Louis twee dozen sigaren mee voor Papa. Het was zo'n onwaarschijnlijk cadeau dat Louis dacht: Nu gaat het pas goed mis met hem. Weet de principaal dat? Er zit hier voor duizenden franken in.
'Hebt ge begrepen wat ik in de klas zei over het gezicht van de ander? Nee. Ik merk het.'
De Kei zakte dieper in de leren stoel waar generaties priesters in hadden gezeten. Hij leek hulpeloos.
'Er is geen leerling die mij zoveel verdriet heeft gedaan als gij. Misschien is het daarom dat ik het meest voor u bid. Trek niet zo'n afstandelijk smoel. Ik ben uw vriend geweest. Omdat ge gekwetst zijt, al beseft gij de aard en de omvang van uw kwetsuren niet. Ge legt er elke dag nieuwe pleisters op.'
'Spreek voor uw eigen,' zei Louis.
'Luister, snotneus. Ik heb voor niet lang meer. Ik kan het u niet uitleggen.' Zijn patrijspoortbril bewasemde. Toen hij hem afzette en met een slonzige zakdoek schoonwreef, leek hij weerlozer dan ooit.
'Louis.'
'Ja, Eerwaarde.'
'Leer Grieks. Elke dag.'
'Is dat alles?'
'Die koude van u, ik ben er bang voor. En ik heb er medelijden mee. Ga nu maar.'
Bij de deur zei Louis: 'Ik heb het wel begrepen. De anderen, dat is de sleutel.'
De Kei zegende hem vlug, alsof hij iets verjoeg. 'Ik zal voor u bidden. Ga nu toch. Vlug.'
Twee dagen later werd de Kei weggevoerd naar Duitsland, niemand wist waarheen, Louis praatte nu vrijuit met hem.
'Eerwaarde...'
'Noem mij geen Eerwaarde.'
'Vader...'
'Ik was niet aanwezig bij uw conceptie.'
'Heer...'
'Al ben ik een heer, toch wil ik zo niet aangesproken worden.'
'Evariste de Launay de Kerchove...'
'Zeg: Kei.'
'Kei.'
'Wat is er, onnozele gans?'
'Ik leer Grieks. Elke dag. Het woord voor samen, voor de anderen is koinomia.'
'De klemtoon op de tweede lettergreep.'
'Koinomia.'
'Zo is het goed. Ga nu toch. Vlug.'
==
De Kei ging en Bekka kwam terug. Zij deed alsof zij nooit een brief geschreven had. Ongeduldig at ze vier boterhammen met moerbeienjam en volgde Louis op zolder en graaide met hem in de twee kisten van 'De Leiezonen', Papa's toneelgroep van voor de oorlog, en haalde vodden, linten, handschoenen te voorschijn, fluwelen mantels, dominomaskers, hoeden met witwollen veren. Louis zette haar de kepie op van de postbode uit 'Lente in Herentals', een operette. Zij trok de kaplaarzen aan van een musketier, die tot de helft van haar dijen kwamen. Zij hief haar jurk op om het effect te zien, de postbodejas viel tot op haar enkels. Louis wurmde zich in een oranje jurk met volants en plaatste een wijde witte zomerhoed op zijn hoofd. In de stoffige spiegel was hij een schonkige Mama-van-vroeger, een armetierige Madame Laura. Hij verstopte zich achter een scherm waarop honderden sigarenbandjes in concentrische cirkels waren geplakt. Bekka strekte haar rechterarm. 'Sieg Heil!' zei zij tot een immense zaal vol genodigden in gala. 'Ik ben de Obergruppenfuhrer en ik ben hier in Bohemen om uit te rusten. Het weer is betrokken, maar dat kan ons niet schelen, wij hebben andere watertjes doorzwommen. Ik weet niks van wat er verder met mij zal gebeuren, maar dat zien we wel, dames en heren.'
Zij ging zitten, trok de uniformjas over haar magere, sterke dijen. Zij dronk uit de koperen beker uit Judas van Verschaeve waarmee Papa als zwijgende rabbi veel succes had gehad en boerde. 'Ik ben hier op mijn gemak, de Bohemers luisteren naar wat ik zeg en de Egyptenaren ook. Als zij zich niet koest houden, krijgen ze van de lat in het kamp.' Zij sprong op, greep het houten korte zwaard van een centurion en zwaaide er mee. 'Hoort ge 't goed, broeders uit Bohemen? Maar wat hoor ik? De telefoon? Allo, ah, het is gij, Fuhrer! Wel, Fuhrer, ik ben goed aangekomen, het weer kwakkelt een beetje maar voor de rest is alles in orde. Heil! Wij gaan die zigeuners plat krijgen. Heil, Fuhrer, gij gaat content zijn.'
Zij gooide de telefoon tot ver over het dak van de heropgebouwde Gendarmerie, bleef voor het kamerscherm staan en tikte er tegen. 'Is er iemand?' Zij stapte weg, stofdeeltjes waaiden op. 'Ik ga maar weer eens naar mijn kasteel Harkany (Hradcany, hij had het haar nog zo goed voorgezegd!) met twee telefoons en twee badkamers, wat bloemkool eten waar de kleine kindertjes van komen. Wie zijt gij? Spreek, Donnerwetter, spreek, Madam! Wie zijt gij?' Louis boog diep, hield met kanten handschoentjes zijn hoed vast. 'Een arme boerin uit de streek, hoogedele heer Obergruppenfuhrer.'
'O, gij verdammte leugenkous!' krijste Bekka en sloeg met de platte kant van haar zwaard op de witte hoed. 'Au! Au! Ik heb u toch niets misdaan,' riep de partizaan die als boerin vermomd was die vermomd was als Louis.
'Muil toe! Op uw knieen!' De degen trof zijn hals.
'Alstublief, mijnheer, ik ben te oud en als ik eenmaal geknield ben kan ik niet meer overeind! Bitte, Bitte!'
Bekka schopte tegen zijn ribben tot hij tegen de plankenvloer lag, in de wijde rafelige reten zaten grijze korrels. De postbode tolde rond met haar zwaard. 'Hef uwe Bohemerskop geen centimeter of hij vliegt eraf.'
'Maar...'
'Niks te maren. Gij hebt geen recht van spreken, gij zijt geen mensen maar afval van mensen, met uw zwarte ogen en uw kleine gestalte...'
Zij stopte omdat zij aan haar vader dacht die in een werkkamp zat of omdat er beneden iets te horen was geweest. Bekka marcheerde met een ganzenpas op de maat van een fanfare. 'Halt!' Hij haalde een stengun onder zijn jurk vandaan. Zij stak haar handen in de lucht en monkelde: 'Kameraad!'
'Ik uw kameraad? Nooit. Never.' Hij richtte zich op in al zijn mannelijke grootte. 'Uw uur heeft geslagen, Reinhard Tristan Eugen. Ik ben uit mijn trainingskamp in Schotland overgevlogen voor deze stonde van de wraak!'
Wild zocht zij om zich heen, maar gaf toen toe dat er geen ontsnapping mogelijk was, en bereidde zich voor op haar dood en begon te bidden. Uit een tenen mand haalde hij een van de meloengrote wereldbollen die Peter voor de oorlog verkocht. 'Zeg uw laatste gebed. Want deze granaat is gedoopt in het bloed van de onschuldigen.'
'Genade.' Bekka beefde. Plotseling tochtte het op de zolder. Hij gooide de granaat en liet zich vallen tegen een hoop klamme, muffe toneelkleren. Zij bleef staan met de bol in haar hand en wees naar de kleuren. 'Alaska, Groenland,' zei zij.
'Gij zijt dood!' riep Louis.
'Nee.'
'Dodelijk gewond. Stukken ijzer en glas in uw lever. Men telefoneert de Fuhrer aan het Oostfront dat ze u aan het opereren zijn.'
'Nee,' zei zij koppig, lastig, vrouwelijk. Hij sloeg de wereldbol uit haar hand, de gedeukte planeet rolde tot aan de trap naar de afgrond.
'De granaat is niet ontploft,' zei Louis. 'Amerikaanse rommel. De slagpin is niet ingedrukt, dat verandert onze plannen.'
Hij, de boerin, wurgde de Reichsprotektor, het magere kind. Zij liet begaan toen hij bleef wurgen en toen zij eindeloos roerloos innig dood bleef gaan en reutelde en hij haar jurk optilde, gedempt zei dat hij haar in gewijde grond zou begraven, 'Dies irae' zoemde terwijl hij aan het elastiek van haar tot doorzichtigheid geschrobde broekje pulkte, trok.
'Niet aankomen,' zei de dode zwakjes.
'Muil toe.' Hij trok het broekje naar beneden. Alle altviolen, cello's, harpen, trombones van de monsterorkestklanken uit 'De gouden Stad'. Eindelijk na al die grote raadselachtige honger nu zijn eerste blik op de gouden snee tussen dijen in laarzen, het was te donker, hij sjouwde de dode met de tegen elkaar geperste dijen naar het licht van het raam. Toen liep er een dikke rat op de trap.
'Doe voort, doe voort,' zei Cecile die tot aan haar borst zichtbaar was in het trapgat. 'Doe lijk of ik er niet ben.' Bekka sloeg haar jurk met een geroutineerd gebaar naar beneden. Zij was opgelucht dat het theater waar zij in gefigureerd had, voor een paar boterhammen met moerbeienjam, voortijdig afgebroken werd.
Zij zaten gedrieen gehurkt bij het antieke fototoestel dat aan Mama's Heernonkel, pater Wiemeersch, had toebehoord en waarmee hij, zijn leven wagend, wilde dieren en negerstammen in hun natuurlijke omgeving had gekiekt voor de collectie van het bisdom.
Cecile vond dat Louis er stom uitzag, met zijn golfbroek onder die rok.
Louis wilde uitleggen dat dit precies de bedoeling was: a. zo liepen de vrouwen erbij op het platteland buiten onze oostgrenzen, b. daarmee werd aangeduid dat het een verklede vrouw betrof maar hij liet het achterwege, Cecile was een dom kalf. Hij had ze zelf gezien, die vrouwen die uit Polen en Rusland kwamen, dof en vormloos in jakken, hoofddoeken en legerbroeken onder hun rokken, sjokkend langs de huizen met de lage strodaken waar hun heersers woonden, vrouwen in boezeroenen en pofmouwen en verminkte verminderde mannen met lederschorten voor, de oude ronde sa-kepie op, hakenkruisen vlechtend van takjes en twijgen en bladeren voor het oostfront.
Cecile die zo stom was dat zij lang nadat het duidelijk was dat haar patience-spel zou uitkomen nog plichtsgetrouw traag stompzinnig de kaarten tot de allerlaatste in volgorde lei, zei dat ze bij haar thuis de deur uitgestuurd was. Neen, niet voorgoed.
'Mama zat op de schoot van Pepe,' zei zij. Louis grinnikte naar Bekka.
Pepe, Spaans voor Peter. Ik zal Peter zo aanspreken als ik hem straks zie. Pepe!
'Pepe heeft me geld gegeven om naar de cinema te gaan. Hij peinst er niet aan dat er geen seance is de woensdag. Hij leeft in een andere wereld met al zijn geleerdheid. Hij zegt dat hij veel te goed is voor deze wereld. En het is waar. Verleden week heeft hij een hele avond zitten treuren, Pepe.'
'Waarom?' vroeg Louis verbaasd.
Zij negeerde hem en zei uitsluitend tot Bekka, als een miniatuur-Tante Mona: 'Vanwege haar buitenbaarmoederlijke zwangerschap. Het heeft drie uur geduurd. Maar het is goed gepasseerd.'
'Tegenwoordig is dat geen probleem meer,' zei de oude wijze heks Bekka Cosijns.
'Als 't maar proper gedaan is.'
'Een curetage.'
Toen hadden zij het over kanker. Als vrouwen. Als alle vrouwen behalve Mama. Die had niet dat baarlijk moederlijke.
Louis rook Ceciles adem. 'Gij, godverdomme,' riep hij. 'Ge hebt beneden aan onze moerbezieconfiture gezeten.'
'Een lepeltje maar,' zei zij, vond in de kleurige muffe kleren een tutu, en hield hem in de lucht.
'Dat moet voor een dik vrouwmens geweest zijn.' Zij gooide hem over Louis' hoofd en begon te dansen, een wirwar van flutterige sprongetjes.
'Precies Shirley Temple,' zei Louis.
'Kieken! Shirley Temple kan alleen maar tapdansen.'
Bekka, zag hij, ging helemaal op in Ceciles gedans, met beweeglijke schouders en knieen volgde zij het gehuppel, het gewiek. De anderen, de anderen, zei de Kei. Alle anderen dansen, behalve ik. Zelfs mijn dromen, als ik ze mij herinner 's ochtends, graven, zakken, sijpelen. Naar beneden. Log. Zoals in de plaatjes van Selection. De grove, lompe klompvoeten in het slik. Is dat het wat Entartete doen, je meetrekken in hun beeld, vervormen naar hun beeld? Voor je 't weet ben je er zo een. Het heilige, sacrale, de exaltatie van de moed en de energie die in de beelden van Kolbe, Thorak, Breker in zijn plakboeken verheerlijkt werd, was het voor diegenen die er in geloofden? Ja. Hoorde hij daar (nog) bij? Neen.
Met lood in de kuiten, vastgeschroefd in de plankenvloer moest Louis erkennen, terwijl Cecile trippelde, wiegde, dat hij door het internationale jodendom besmet was, het was in zijn brein geslopen, slinks, niet te stuiten. Als er anderen zijn bij wie ik hoor, wil horen, zijn zij het, de versplinterde kubisten, expressionisten, al die isten. De helden met zwaard en toorts zijn van reuzel en smelten.
Bekka applaudisseerde en Cecile bleef op een been staan, bovenlijf gestrekt naar voren, wou vliegen, kon elk ogenblik opvliegen zoals in de vele foto's die Peter van haar had gemaakt, die in de waaier zaten in de voorkamer en in zijn portefeuille, op zijn hart.
Mama was razend. 'Ge krijgt toch eten genoeg! Meer dan alle kinderen uit de straat!'
Louis stond op het punt uit te leggen dat hij een oud vrouwtje gezien had op straat dat bijna omviel van de honger en dat hij haar een paar boterhammen met moerbeienjam had gegeven, toen bleek dat het over worst ging. De worst van varkensgehakt die Holst gebracht had!
'Niet alleen zijt ge gulzig en denkt ge aan niemand anders behalve uw eigen, maar ge hebt mij in lelijke affronten gebracht. Ge had het mij tenminste kunnen opbiechten, maar nee, lijk een dief in de nacht...'
'Dat is de dood,' zei bliksemafleider Seynaeve.
'Wat is de dood?'
'De dood komt als een dief in de nacht.'
'Gij ook!' riep zij. Zij zoog verwoed aan haar sigaret. 'Want dit gaat gevolgen hebben. En geen kleine! Lucien van Capellen, dat zegt u zeker niks, he? Nee, natuurlijk niet, mijn werk in de erla dat ik speciaal doe om voor u te kunnen zorgen, daar veegt ge uw broek aan!'
'Lucien van Capellen,' zei Louis nadenkend, zonder na te denken.
'De zoon van de herenboer. Zijn ouders hebben speciaal uit dankbaarheid twee kilo saucissen laten brengen!'
'Hooguit een kilo!'
'Twee kilo,' gilde Mama. 'Lucien van Capellen liegt niet. Lijk gij de hele dag door. Hij zegt: ''Madame Seynaeve, hebben zij gesmaakt, die saucissen?" Ik zeg: ''Welke saucissen?" Ik wist van niets. En hij zegt: ''O, is het zo? Neemt ge 't zo op?" en hij draaide zijn rug naar mij, ik stond daar met mijn mond vol tanden! En met die affaire met Jantje Piroen achter de rug, denken al die jongens dat ik louche zaakjes doe en dat ik een pretentieus vrouwmens ben.'
'Het was niet eens driekwart kilo.'
'En wie heeft dan die andere kilo opgevreten?'
'Holst.'
Zij bedaarde op slag. Als kokende melk wanneer je 't gas uitdraait. Zo zouden de expressionisten dat verwoorden.
'Holst, het zou kunnen.'
'Onderweg naar hier,' zei Louis. 'Holst heeft altijd honger met dat groot karkas van hem.'
'Het vervelende is dat Lucien van Capellen van de Witte Brigade is.'
'Laat hem dan in de bak steken en 't is afgelopen!'
Zij schrok. Van het
rucksichtslose beest dat hij was. Hij werd opgewonden van de
walging die hij als in een boek in haar kon lezen.
Papa hielp zwaargewonden in een vrachtwagen laden. De muren laaiden, roetwolken daalden over krijsende mensen, meestal soldaten. Er was iets mis met de sirene. Alhoewel de bommenwerpers al meer dan een uur verdwenen waren, stootte zij nog af en toe amechtig jankende klaagtonen uit. Alle soldaten, ook de niet-getroffenen, schreeuwden, verspreid, zoekend, tussen de hompen vlees. Twee kerken waren geraakt, zei men, van het station was niet veel meer over. De soldaten waren in korte kaki broeken gekleed, de meesten waren op weg naar huis na twee jaar.
Papa zweette, pufte, maar zonder de haast van de Seynaeves, hij ondersteunde de soldaten met bijna tedere gebaren, kalmeerde een Rode-Kruis-Helferin die spastisch om zich heen sloeg. Sommige soldaten waren onder een kapotte treinwagen gekropen, een luitenant schreeuwde hen toe en zocht hen met zijn zaklantaarn.
Plotseling hoorde Louis, die in een stilstaande vrachtwagen een stervende soldaat vasthield die zich aan zijn knieen had vastgeklampt, Papa vloeken. Hij had zijn voet bezeerd aan een verwrongen tramrail. Maar toen sjouwde hij verder, aaide, paaide de gewonden.
De stervende was jong. Hij reutelde iets over Blumen, hij stonk, zijn ingewanden puilden hier en daar uit zijn jas, maar werden samengehouden door zijn koppelriem. Tegenover Louis zat een verdwaasde Hauptmann die met beide handen een arm in een Luftwaffe-uniform vasthield als een baby. Van de soldaat naast Louis was de kin weg, als weggesneden met een scheermes. Tussen zijn vingers hingen rafels als van een bloedige witte sik. De stervende zei duidelijk: 'Benjamino' en luisterde naar iets vlakbij. Hij wou zich oprichten, Louis hield hem vast en reciteerde: 'Ruhe, Ruhe, bitte, Ruhe, Ruhe.'
Louis reed zes keer heen en weer met de vrachtwagen, van het station naar het lazaret, tot hij in slaap viel tussen de verhakkelde soldaten, waarna de chauffeur hem niet meer mee wilde hebben.
Papa zat, onder een dikke laag zwart en grijs stof, in het puin, de zon kwam op, verjoeg de walmen.
'Mijn grote teen is gebroken,' zei Papa, 'ik kan er niet meer op lopen. Maar als ik die jongens zie, die zo gaarne naar hun Heimat wilden na al die tijd, moet ik mijn mond houden. Maar het doet zeer.'
Hij stak zijn hand uit naar zijn zoon en zijn zoon die zag dat hij grauw en oud was, trok hem overeind, een vriend in nood, door dik en dun.
==
'Maar Staf, ge zoudt lijk zeggen dat ge mankt!' riep Nonkel Robert.
'Mijn enkel is kapot,' zei Papa en liet zich zakken met gestrekt rechterbeen.
'Daarjuist was het uw grote teen,' zei Louis.
'Ik kan 't niet meer voelen, 't is al kapot van binnen in mijn voet. Maar het gaat misschien vanzelf weer aangroeien.'
Toen zij binnenkwamen en hij Nonkel Robert en Tante Monique in hun bebloede witte slagersjassen had gezien, had Louis een ogenblik gedacht, dat zij in hun eentje, onaangekondigd en bescheiden, van hun huis een prive-Lazarett hadden gemaakt, dat zij, in deze monsterlijk vaneengereten nacht, hielpen om het menselijk leed te verzachten, maar zo was het niet. Nonkel Robert schonk Balegemse jenever, Louis kreeg een kwart glaasje met een suikerklontje van Tante Monique. In de garage hakten twee leerjongens zenuwachtig in metershoge stukken vlees die knapten als jonge berken, Nonkel Robert wreef in zijn bebloede handen. Hij had met zijn vrouw en zijn helpers drie paarden weggesleept uit de gebombardeerde trein, en niet een keer had zijn nochtans gammele camionnette het laten afweten. 'En ge hebt het terrein gezien daar aan de statie!'
'Ik ben toch moe,' zei Tante Monique, 'van al dat schokken.'
'Ik had nog een paar veulentjes op 't oog maar de Feldpolizei kreeg ons in de gaten. Als zij niet zo bezig waren geweest met het volk dat kolen aan het stelen was, hadden zij mij gepakt. Volgens mijn schatting is er daar tienduizend kilo kolen weggehaald. Neem nu dat er honderd mensen waren en ieder heeft een zak van twintig kilo, en zij lopen drie keer over en weer...' Hij rekende, kwam er niet uit.
'Maar dat volk was niet goed georganiseerd.'
Papa knikkebolde, afgepeigerd.
'Moest ge dit organiseren, met een jonge gast of vijf en twee kleine camions, en ge staat direct gereed als het alarm gaat... Maar ja, ge weet nooit of dat ze nog een keer een kolenhangar gaan treffen...' Nonkel Robert bracht twee brede lappen paardenvlees.
'Hoeveel is mijn schuld?' vroeg Papa.
'Maar broer toch, waar dat gij over spreekt! Wij zijn toch op de wereld om mekaar een pleziertje te doen. Allee, nog een druppel. Wij leven maar een keer.'
'Nee, gij niet, Louis,' zei Papa. Louis kreeg een glas geitenmelk. Hij vroeg zich af of de geit nog in leven was, in dit huis van slachting.
'Straks komt ons vader ook zijn vlees halen.'
'Eet hij nu paardenvlees?' zei Papa ineens alert. 'Waar gaan we dat schrijven?'
'Nee, nee, voor hem moet het entrecote zijn.'
'Ik dacht al,' zei Papa. Want Peter had een heilige schrik voor paarden en beweerde dat paarden hysterisch waren omdat ze alles negen of twaalf keer groter zien, zodat een vlinder op de weg een eend wordt, en omdat een merrie van mijnheer Tierenteyn, God hebbe zijn gefusilleerde ziel, eens van pure jaloezie met mijnheer Tierenteyn op hol geslagen was.
'Hij heeft zo'n deugd van zijn entrecote,' zei Nonkel Robert dromerig. 'Vooral 't vlees vlakbij het been, hij kan daar zo smakelijk aan knabbelen, het is een plezier om te zien. Als ik hem zo zie zitten smikkelen zeg ik in mijn eigen: ''George Bernard Shaw mag zeggen wat hij wil en alleen maar noten en groensels eten, de mens is toch een vleeseter."'
(De Hauptmann schoof de Luftwaffe mouw op, de stomp van de arm was als een berk afgehakt, de Hauptmann bracht de knuist naar zijn verkrampte open mond.)
Louis gaf over in de wc. De leerjongens die in de vettige weefsels sneden en krabden lachten hem uit. 'Hij is straf, he, die jenever van Balegem?' Op de vloer lagen paardentanden.
Op weg naar huis moesten zij hun speciale Schein laten zien, de patrouille van oudere Duitsers vertrouwde blijkbaar hun armbanden niet voldoende. Een voorbijfietsende gendarm kwam erbij staan.
'Ik dacht dat ge goede maten waart met de Duitsers, Staf.'
'Ach,' zei Papa doodmoe. 'Zij moeten hun plicht doen. En het reglement is voor iedereen gelijk.'
'Daar is iets van,' zei de gendarm en fietste verder.
'Het hoogste procent van alle zelfmoorden vindt ge bij de gendarmen,' zei Papa. 'Ik begin te verstaan waarom.'
'Waarom?'
'Zij zijn van niemand gaarne gezien.'
Het huis aan de Oudenaardse Steenweg leek kilometers ver. De sirene was niet opgehouden met haar snerpende uithalen.
'Die Robert krijgt een gemeen aangezicht,' zei Papa, 'met zo te verdikken. Hij is altijd dik geweest maar nu gaat hij over de schreef. Hij eet ook altijd zijn vlees en zijn patatten, zelfs zijn boterhammen, met mayonaise. ''Als 't maar deugd doet," zegt hij en hij drinkt de saus op lijk soep. Volgens mij komt het door zijn vrouw dat hij zo vergroft. Een man verandert door zijn vrouw, wij hebben dat meer gezien. Het zou mij verwonderen als die twee kinderen zouden krijgen.'
Mama bakte de paardenbiefstukken. Papa liet zijn voet zien die inderdaad gekneusd leek, helemaal blauw. Toen de apotheker Paelinck erbij gehaald werd en hij Papa's voet in zijn hand nam zei hij: 'Het is in ieder geval niet zo erg als bij Jantje Piroen.'
Wat was er dan met Jantje Piroen? Er was een bom op de gevangenis gevallen en de sukkel van de Toontjesstraat die geen geld had om in beroep te gaan en de cel verkozen had, werd getroffen. 'Zijn twee benen zijn er af, hij zal er door komen maar het zal tijd en geld kosten,' zei de apotheker, en: 'Staf, mijn diagnostiek is dat ge in het vervolg uw voeten beter moet wassen.' Want het blauw kwam van de slechte verf van Papa's sokken.
Toen Paelinck weg was zei Mama zeemzoet: 'Moet ik water opzetten dat ge uw voeten kunt wassen?'
''t Is omdat ge zulke goedkope kousen koopt!' schreeuwde Papa.
'Een serieuze mens wast zijn voeten twee keer per week,' zei Mama.
'Was uw gat!' riep Papa met overslaande stem en sloeg met geweld de deur dicht. Mama luisterde naar zijn vluchtende stappen op straat. 'Charlatan,' prevelde zij.
==
Alhoewel de Geallieerden nu overdag overvlogen en de leerlingen van het College vaak naar de kelder moesten rennen, weigerden de priesters hardnekkig de school te sluiten. Wij moeten er allemaal aan, samen met Xenophon's tienduizend Grieken in Klein-Azie.
Louis liep door het park naar school. Hij vertraagde, hij bleef staan.
Hij zag naast een ijzeren papiermand, geknakt bij het middenrif met blote goudbehaarde voetjes die weerloos op het grint lagen vanonder grijs flanel, Marnix de Puydt liggen.
('Niet aankomen,' zei de leraar turnen, 'want ge weet nooit of er inwendige breuken zijn.')
Louis bleef kijken. De Puydt's oor lag op zijn hoed, zijn buik zwol en slonk, de man zwoegde in zijn slaap.
'Mijnheer de Puydt.'
Als een Samaritaan de man overeind hijsen? Vluchten? Als hij er in blijft, in dat labeur van ademen, ben ik dan een moordenaar tot in lengte van dagen?
De poezelige handjes van De Puydt friemelden aan de lucht, vonden de kronkelige gietijzeren poot van de bank naast hem, hij hees zich op langs de bank, kreeg vaste voet, zijn worstjes van tenen krulden op het grint.
'Mijnheer de Puydt.'
'Het is zonderling,' zei de Vlaamse Kop.
'Gij zijt in slaap gevallen.'
'Ja. Maar ik ben helemaal alleen overeind geraakt. Het is zonderling. Ik dacht, Marnix, wat vindt ge ervan om eventjes te verpozen? en toen lag ik in het gras en het is zonderling, ik hoorde mezelf zeggen in de eigenste woorden van onze goddelijke Pastor, onze Fenix op zijn sterfbed - een bewijs dat ik mij op de rand van de zelfgezochte coma vergelijk met de onvergelijkbare - ik hoor mezelf zeggen, ge gaat mij niet geloven, met een stem die beslist de mijne niet was: ''Ik hoorde zo gaarne de vogelkes schuifelen." Nu is weliswaar een zekere ontdubbeling mij nooit vreemd geweest, wie zijt gij eigenlijk?'
'Louis. Seynaeve. De zoon van de drukker.'
'Goed in opstel. Waar of niet?'
'Nogal,' zei Louis verbluft. Hij zat naast De Puydt.
'Talent voor opstellen. Ik weet het van...'
'Mijn Peter!' riep Louis. Hij tintelde. De Puydt knikte bedachtzaam. Het was ongelooflijk, achter mijn rug blies mijn Peter een ongegeneerde loftrompet. Over mij. Of liever: over zijn kleinzoon, die de eigenschappen van zijn grootvader had geerfd, talent slaat een generatie over. Toen pas drong het tot hem door dat De Puydt gesproken had, wat heet? een rits van de bekende retorische fiorituren had gelost. Zweeg hij dan alleen in cafe 'Groeninghe'? Sprak hij nu, omdat die collegien naast hem, nat achter de oren, toch geen volwaardige gesprekspartner was in de lege ruimte van het park?
'Waar zijn wij?'
'In het park, Mijnheer de Puydt.'
'Ah ja, het Koningin Astridpark.'
'Nee. Het Gulden Sporenpark.'
'Tiens,' zei De Puydt.
'Hebt ge u geen zeer gedaan?'
'Zeer,' zei De Puydt en zweeg. Achter de eiken, in de buurt van het stadhuis was het vertrouwde rustige geluid te horen van marcherende soldaten. Zij zongen ineens: '...einen neuen Marsch probier'n.' Een groot repertoire hadden zij in al die tijd niet ontwikkeld.
'Hoe heet gij?'
'Louis Seynaeve.'
'Louis, Louis, zoals de grote heilige koning die de Sainte Chapelle heeft laten bouwen voor de Doornenkroon. Louis, luister.'
'Ja, Mijnheer de Puydt.'
'Ik heb het allemaal fout gedaan. Alles fout. En het is mijn eigen fout, van niemand anders. Er zijn geen verzachtende omstandigheden.'
Hij stond op het grint. Louis ook. Hij nam Louis' arm en begon te lopen. Louis schaamde zich diep. Met De Puydt als verloofde aan zijn arm, ging hij door de Leiestraat tot aan de Grote Markt en boven op het Belfort zat zijn dode vriend Maurice de Potter en richtte zijn verrekijker op hem en de mollige bezwete dichter aan zijn arm en wat waren zij voor waggelende planten? Berenklauw en engelwortel. Of twee purperrode, met rare kluwens als koppen, kale jonkers? Ik heb Maurice's schrift met alle namen, het enige wat ik voor mijn dode vriend kan doen is planten, bloemen leren benoemen, niet alleen hun namen zeggen.
De Puydt viel op een rieten stoel voor 'Het Wapen van Gent' en keelde: 'Twee Pale-Ales,' in de richting van het Monument der Gesneuvelden.
De baas bracht ze snel, maar nors.
'Louis. Ik had talent...'
'Gij hebt talent, Mijnheer de Puydt.'
'Ach, kind.'
'Toch, toch, Mijnheer de Puydt.'
'Ik had meer, een elan, een impuls. En trots en ongeduld en vernietigingsdrang. Ik had, Louis, de stuwing van de eigenzinnigen, de woelzieken zoals men overigens de opvolger van Saint Louis noemde, Louis le Hutin, en toen, ja, toen... Ik had kunnen zingen in mijn werken, niet zo fabelachtig precies Chopin-achtig lyrisch als Van Ostaijen natuurlijk, maar het had niet veel gescheeld. Maar ik heb mijzelf uitverkocht.'
'Over de maan schuift de lange rivier...' zei Louis.
'Over de lange rivier schuift Moeder de Maan. Ach kind.' Hij viel stil. Louis, de woelzieke? Louis, de woelrat?
'Mijn grootvader zegt dat wat Van Ostaijen schrijft infantiel is maar toch kunst.'
'Uw grootvader kan mijn zak opblazen,' zei De Puydt. 'Heel mijn leven heb ik geluisterd naar al uw grootvaders. Naar grootvader Herman Teirlinck onder anderen. ''Marnix," zei hij, ''gij en ik hebben het ongeluk van in een klein landeke van de bok zijn ballen geboren te zijn, er is hier geen plaats voor dichters, de pletrol van Belgie zal ons in de macadam persen, zorg ervoor, Marnix, dat ge eerst en vooral onder de pannen geraakt, ik zal ervoor zorgen, wat denkt ge van het inspecteurschap van de bibliotheken?" Ik zeg ''Herman, als ik maar niet bij de loge moet" - ''Wat voor een rare Charel zijt gij toch, Marnix, wie spreekt daar nu over?" - Twee Pale-Ales, heb ik gevraagd!' Hij riep het naar de Grote Markt.
'Gij hebt ze al binnen,' zei de baas verwijtend tot Louis. Toen hij, weer verongelijkt, het bier bracht wreef hij duim en wijsvinger over elkaar en keek Louis vragend aan. Louis haalde zijn schouders op. In het cafe sakkerde de baas hardop tot zijn vrouw, dat het altijd hetzelfde was en dat De Puydt met een lei stond van hier tot Waregem, en dat het de laatste keer was. De Puydt hoorde het niet. '...en ik zat toen met Maria opgescheept en zo is het gekomen dat ik mijn innerlijk kasteel in puin heb gelegd, dat ik de nachtegaal in mijn binnenste zijn vlerken heb afgetrokken, zijn parelende zang heb gedoofd. Ik heb toen, jonge meneer, in het Ministerie gewerkt. Jazeker, hij die naast u zit, heeft te Brussel gezwoegd om het lot van zijn confraters in de kunst te verbeteren en hij heeft dit doende een kleed van kurk, een korset van watten over zijn ziel geschoven. En waar blijven die twee Pale-Ales?'
'Wie gaat dat dan betalen?' vroeg de bazin die het bier bracht. De Puydt sloeg uit volle macht op het marmeren tafelblad. Louis wou over de grote, wijde, lege Grote Markt wegspurten.
'Wie? Ich! Ich, Mitglied der Deutsch-Flamischen Arbeitsgemeinschaft!'
'Ik heb het verstaan, Mijnheer de Puydt!' zei de bazin. 'Het is al wel.'
'A propos,' zei Louis, 'laatst las ik een paar interessante werken over het expressionisme. Van Hermann Bahr onder anderen.'
De Puydt's lodderogen probeerden Louis in het vizier te krijgen.
'En dat heeft mij aangezet om mij te verdiepen in wat men gemeenzaam entartete kunst noemt.' De pedante woorden rolden zwierig uit Louis' mond, het was veel gemakkelijker dan hij dacht, durf, daar ging het om. En een paar Pale-Ales.
'Erfolg van Feuchtwanger, Joseph und seine Bruder van Mann, van de vader natuurlijk.'
'Hoezo, de vader?'
'De vader van de andere.'
'Wie, Heinrich?'
'Nee, dat is zijn broer. Klaus is de zoon. En Christian Wahnschaffe van Wassermann.' Al die Mann-en. Hij vond snel een niet-Mann. 'En Point contre Point van Huxley.'
'Ik heb ook veel gelezen vroeger,' zei De Puydt, de verweekte, de zatlap die niet eens de verbazingwekkende eruditie van een schoolgaande jongen wou erkennen. Ik sta op en laat hem achter in zijn stupor. 'Veel gelezen,' zei De Puydt dof. En informeerde niet naar het waarom of hoe waarmee Louis, als enige in Walle, die trits Mann-en, die exotische en vooral verboden namen, kende.
'Ik heb werken gestolen in het hol van de Duitse adelaar in de Louisalaan in Brussel,' zei Louis. 'Terwijl ze bewaakt zijn door gewapende schildwachten. Ik heb die boeken van vermaling of verbranding gered.'
'Verbranden,' zei De Puydt. 'Als ik het verzameld werk van Herman Teirlinck zou kunnen verzengen. Zoals Diego de Landa de codex van de Azteken.'
Louis riep baldadig: 'Patron, twee Pale-Ales alstublieft.' Toen niemand kwam ging hij naar binnen. De baas en zijn vrouw zaten, allebei even grimmig, te dammen. Louis zei: 'Ik heb geen geld bij mij, maar morgen breng ik het zonder fout. Vanavond laat misschien. Ik ben de kleinzoon van Mijnheer Seynaeve die elke dag komt bridgen in de 'Patria'.'
'Waarom gaat ge dan niet in de 'Patria' drinken?' vroeg de bazin. 'Mijnheer de Puydt staat hier met een lei van hier tot Waregem,' zei de baas maar kwam toch vanachter de tafel vandaan. 'Het zijn de laatste. Als ik u vanavond niet zie met uw geld, gaat er hier een staartje van komen. En geen kleintje.'
Louis bracht zelf de allerlaatste naar het terras. De Puydt lag achterover, opnieuw in een coma. Een luidruchtig groepje van de Organisation Todt kwam langs, maar dokter Louis Seynaeve weerde met zijn resoluut en voornaam voorkomen hun gebral af dat, alhoewel diepmenselijk, gerechtvaardigd, begrijpelijk (want je bij een temperatuur van dertig onder nul losmaken uit de ijshel van Smolensk gaat niet in je koude kleren zitten) toch zijn patient niet mocht storen. De geur van de Pale-Ale bereikte De Puydt, hij niesde. 'Aha.' Hij dronk gulzig. Zei toen: 'Ik heb alles...'
'...Verkeerd gedaan,' zei Louis.
Hij knikte. 'Mijn motor is versleten, de accu is leeg. De immense kracht van de middelmatigheid, de mastodont van de domheid is over mij heen gewalst. Ik had... ik had... Dikwijls gedacht: alleen, zonder bindingen red ik het, misschien kan een mens ook alleen de tango dansen.'
De voorbijgangers bleven als ijsblokken (dode Russische partizanen in de sneeuwvlakte) op de Grote Markt staan toen zij het schallend lied van De Puydt hoorden. Van nietspreken tot dit onverstaanbaar geloei, er was vooruitgang, de weg naar het licht brak open.'
'Het was meer een paso doble,' zei De Puydt toen en dronk Louis' glas leeg. 'Ga nu,' zei De Puydt, 'gij hebt uw dienst gedaan, waarvoor de erkentelijkheid van mijn versleten hart. Laat me hier verwijlen.'
'Kan ik niets meer voor u doen, Mijnheer de Puydt?'
De Puydt was totaal opgeslorpt door een lange rosharige verpleegster die in haar wit-blauw gestreept uniform voorbij schreed, de blik naar de Atlantikwal gericht waar zij verwacht werd.
'Voila,' zei De Puydt. 'Waarop wacht ge? Hoe ze loopt. Als een van die grote vogels die men demoiselles de Numidie noemt. Waarop wacht ge?'
Om De Puydt te behagen liep Louis achter haar aan, sloeg toen, eenmaal uit het gezichtsveld van de dichter, een zijstraat in.
==
Louis laadde zijn schooltas vol met de verboden boeken. Op straat zwaaide hij met de tas alsof ze twee kilo woog om de voorbijkomende Duitsers op een dwaalspoor te brengen. Als een volksvijandig element wandelde hij roekeloos met de werken van de Bolsjewist Ehrenburg en de joodse gebroeders Zweig, waarvoor je lelijk aangepakt kon worden. Meer dan voor gesmokkelde boter, bijvoorbeeld. Werd je gefusilleerd, of was dat alleen voor soldaten?
Tante Nora wachtte voor de deur en liet hem binnen. ('Zij treurt,' had Papa gezegd. 'Laat ze maar lezen tot ze scheel ziet. Het is goed voor haar moraal, zelfs al is het joodse en democratische propaganda.')
'Ik heb dat boek over de Medicis bijna tot op het einde gelezen. Een propere familie,' zei Tante Nora. 'Niet dat het niet interessant was, integendeel, ge leert er wat van, over de hofhouding in die tijd. En veel details over de adel, wat ze aten en welke kostuums ze droegen. Alhoewel dat adellijk volk niets anders te doen had dan elkaar te kietelen als 't donker werd in het paleis, kardinalen op kop. Het is leerzaam, dat wel, maar op het gebied van de liefde is het niet veel soeps, en tenslotte, draai het of keer het lijk of dat ge wilt, een boek moet toch over liefde gaan, nee, geef mij maar iets van Vicki Baum of van Gerard Walschap.'
Zij ging naar de keuken. Louis stelde zich voor hoe hij nu meteen terwijl zij daar bezig was, of straks terwijl zij naar de wc was (wat onvermijdelijk moest gebeuren, want vrouwen gaan zes keer zo veel als mannen), naar de buffetkast zou sluipen, er het goudkleurig glas-in-looddeurtje zou tegenhouden zodat het niet piepte, en in de blikken doos met de beeltenis van wijlen Koningin Astrid in de dicht aaneengesloten speculaasjes zou graaien. Hij stal de hele doos, schoof haar onder zijn jasje, want de wc spoelde al door. Of niet? Was Tante Nora gierig als de miljonair Groothuis van wie Mama beweerde dat hij elke morgen voor hij naar zijn fabriek vertrok aan zijn familie en zijn personeel orders gaf om maar een keer door te spoelen? Hoe dan ook, schuin, zijdelings, gleed de diefachtige geheime agent Louis Seynaeve langs de voorgevel naar buiten en wuifde en zong binnensmonds 'Auf wiedersehen', terwijl hij slinks tegen zijn linkerflank de blikken doos vol broze kwijlverwekkende speculaas onttrok aan de nochtans arendachtige blik van de zuster van zijn vader.
Dralend in de kamer schoot het hem te binnen dat Tante Nora daarnet, niet onachtzaam want zij bleef hem in zijn gezicht aankijken, niet opzettelijk want het leek vanzelfsprekend, vlak bij de keukendeur traag haar rok had opgetild en haar kous bij de jarretel had rechtgetrokken. Vanzelfsprekend, alsof zij alleen thuis was, met hooguit een vage schim of een herinnering in de kamer, en dat was hij dan, Louis, de schaduw van een neef. Zij bleef lang weg. Kwam terug met koffie. Geen echte koffie natuurlijk, die werd alleen te voorschijn gehaald als er een andersoortig bezoek was, een meer gewaardeerd, meer gekoesterd familielid.
Zij had waarschijnlijk als koffiezak de voet van eenzelfde zijden, amberen kous gebruikt als die rechtlijnig om haar been gespannen zat. De koffie smaakte naar haar been. Zij inspecteerde de nieuwe lading boeken. Feuchtwanger, Zangwill. 'Zijn er geen vette bij?' vroeg zij.
Boeken met vetvlekken? Zeer dikke boeken?
'Vette!' zei zij en haar ongaaf gezicht met de natte gezwollen lippen kwam hem raadselachtig voor.
'Ge weet toch wat ik wil zeggen? Want een jongen van uw ouderdom, dat begint toch het een en ander te voelen verroeren als hij een vette boek leest, nee? Ge moet niet beschaamd zijn, uw Tante kent het leven, door en door.'
Hij moest in ieder geval enkele speculaasjes overhouden voor Mama. Voor een Mama die nu thuis rusteloos over en weer liep, doodsbang dat er hem iets overkomen was. Voor een Mama, de echte dan, die nu thuis sigaretten rookte, patience speelde, en niet eens wist dat hij bestond.
'Is er geen Walschap bij?' vroeg Tante Nora. 'Die schrijft tenminste over het leven zoals het is.'
Wat moest Tante Nora toch met dat 'leven'? Of bedoelde zij al geruime tijd het woord 'leven', zoals men dit in Oost-Vlaanderen gebruikte voor wat mannen met vrouwen doen? ('Zij hebben die namiddag samen geleefd, de pastoor en zijn meid, de koster en zijn geit.')
'Hij zegt de dingen vlakaf, Walschap! Hij doet er geen doekjes rond. En hij heeft gelijk. Wij zouden altijd vlakaf ons gedacht moeten zeggen. Maar ja, dat past niet altijd.'
Zij schoof haar benen van elkaar, wreef over de amber glimmende knieschijven, bleef hem aanstaren, ontdekte iets in hem dat er daarnet niet was.
'Binnenkort gaat ge u moeten beginnen scheren.'
'Ik heb mij al geschoren,' zei Louis. 'Al drie keer.'
Een zwart konijn met een leigrijs staartje huppelde de kamer in. Het was mager en beefde. Tante Nora zei: 'Allee, Valentientje, haast u. Ga weer in de hof spelen.' Het konijn gehoorzaamde, ernstig, met zijn oren plat.
'Zij zal de liefde nooit gekend hebben. Volgende week gaat zij in de pot.'
'Moest zij eerst niet wat dikker worden, Tante?'
'Daar kunnen wij niet op wachten, jongen.' Zij keek het konijn na dat op het terras bleef dralen. 'Tenzij dat ge 't mee wilt nemen, naar uw huis.'
'Mag ik het meenemen?' Louis geloofde het niet.
'Als ge mij maar inviteert als zij de pot ingaat.'
'Wanneer? Toch niet volgende week al?'
'Ge moet zelf weten wanneer. Gij zijt groot genoeg.' Zij praatte verder, haar stem had een schorre, dringende klank gekregen die de woorden vertroebelde. Zij friemelde aan de rand van haar jurk, streelde haar knieschijven. (De schedels van twee zeer kleine oosterse kinderen.) Zij zei iets dat eindigde op 'Afgesproken?'
'Wat?'
Zij lachte met smalle tanden, dieproze tandvlees. 'Wilt ge dat ik het nog een keer vraag? O, gij, deugnietje, roer-me-nietje! Dan zal ik het nog een keer zeggen. Als gij het konijn krijgt, krijg ik een kus van u. Afgesproken?'
'Maar zeker, Tante!' (Ik zal thuis voor het konijn aardappelschillen koken. Maar hoe krijg ik dat van Mama gedaan, die altijd aardappelen met de schil kookt opdat ik alle vitaminen binnen zou krijgen die ik nodig heb in deze gruwelijke tijden? Nonkel Robert beweert dat de beesten binnenkort krantenpapier zullen moeten eten. Hij, als beenhouwer, kan het weten.)
Hij wilde opstaan om de afgesproken kus te geven toen zij een beschuldigende wijsvinger naar hem uitstak. 'Blijf zitten!' Het klonk onverklaarbaar bars. Hij dronk het bodempje koffie te haastig op, er weerklonk een slurpend gepiep. Het konijn op het terras stak een oor in de lucht. Het moest dood, misschien niet in de volgende veertien dagen, maar in ieder geval dit jaar.
Tante Nora, die niet op Papa leek - zij was spichtiger, alerter en vaak veel vrolijker, althans voor dat geval met Nonkel Leon - bleef hem aankijken, verpinkte niet. Onderaan haar keel was een rode vlek verschenen, in de vorm van een kaart van Frankrijk. Haar rechterhand met twee trouwringen kneedde haar rechterknie.
Elk ogenblik kon de alarmsirene weerklinken. Maar dan zou hij met haar mee moeten naar de kelder. Of zou zij hem bij de eerste uithalen loslaten met haar ogen, en kermend naar de gang rennen en vandaar naar de trap en de kelder? In dat geval zou hij, met de ontploffingen rond en boven hem, rustig de blikken doos kunnen openmaken, zich volproppen met de zoete, papperige speculaas, die tussen de tanden blijft zitten. Misschien lagen in die kast ook de aandelen van de Union Miniere waar Papa het aldoor over had en die, indien de Anglo-Amerikanen ooit de oorlog zouden winnen, fortuinen waard zouden zijn. Nee, dat was bij Tante Mona, en de aandelen behoorden aan Peter.
'Ik zeg u dat ge moet blijven zitten, hoort ge niet goed?' Terwijl hij geen beweging gedaan had. Louis sloeg zijn ogen neer, las in De Dag over de heldenstrijd van het Zesde Leger aan de Wolga, terwijl Tante Nora een pilletje uit een tube slikte, met koffie doorspoelde, aan de klinken van de ramen snokte, de donkerblauwe rolgordijnen van de voorkant neerliet. Hij kon de letters niet meer onderscheiden, een blauwe glans viel op Tante Nora's beweeglijke jurk, zij hief haar ellebogen en trok toen speldjes uit haar haar, het viel los over haar schouders in golfjes en krullen, zoals bij Genoveva van Brabant.
Tante Nora ging naar de schoorsteen en draaide daar de foto van Nonkel Leon in het aluminiumlijstje een kwartslag om, in de richting van Hannover waar Nonkel Leon, alhoewel vom Arbeitseinsatz ordnungsmassig erfasst, was blijven hangen aan een dame die niettegenstaande zij van een chique familie kwam toch van lichte zeden was.
Tante Nora deed de radio aan, een kinderkoor zong Latijn, zij deed de radio uit. Uit de buffetkast haalde zij twee eigele kaarsen, wrong die in houten kaarsenhouders die in Hannover met schrille bloemen beschilderd waren geweest en stak ze aan.
'Voila,' zei zij opgewekt. Zij liet zich in de zetel naast de kachel vallen. Louis voelde zijn hart, het sprong op, hij voelde het bloed in zijn oren, hij slikte.
'Ge moet niet denken,' zei de in de kaarsvlammen glimmende vrouw, 'dat ik niet weet wat gij uitsteekt in uw kamer van de Oudenaardse Steenweg als ge van die vette boeken leest. God ziet u en ik ook. Wel, hebt ge uw tong verloren? Ge zoudt tenminste kunnen toegeven: Ja, Tante, het is zo, ik belijd mijn zonden.'
De klok op de schoorsteen was hoorbaar. Een motorfiets buiten. Ook een oude vrouw die schreeuwde dat iemand moest komen eten, het leek op de roep van de man van de mosselkar.
'Kom hier,' zei Tante Nora, 'd'r is hier nog een konijntje.'
Waar? Niet in haar schoot waar haar handen lagen. Onder de buffetkast? Scharrelend tussen de nikkelen leeuwenklauwen van de kachelpoten?
'En het heeft honger, dat konijntje,' zei de schorre stem, 'gauw, het moet een boterhammetje krijgen.'
Sedert zij de kaarsen had aangestoken voor deze zwarte mis was Tante Nora krankzinnig geworden. Zij had een kunstmatige donkerblauwe nacht aangebracht en ijlde. Papa zou zeggen dat het waarschijnlijk volle maan was, dan zijn alle vrouwen, ook vrouwelijke professoren, kloosteroversten, Dietse meisjesschaarleidsters, totaal van zinnen, met geen tang aan te pakken.
'Hoort ge niet goed?' De stem trok Louis met klauwen uit zijn stoel, die kraakte.
'Ja,' zei de stem tevreden. 'Ja, hier.'
Hij kreeg een onbedaarlijke honger. Hij stond voor haar, een genoeglijk knorrende vrouw die zo-even nog zijn Tante Nora was. Zij tikte met haar enkel tegen zijn kuit, een teken dat er iets nagespeeld moest worden uit Grand Hotel van Vicki Baum of uit Trouwen van Gerard Walschap, maar welk tafereel?
Zij rukte zo fel aan zijn jasje dat hij voorover viel, zijn hand brak zijn val op de lauwe, fluwelen leuning van de zetel.
Toen hij zich meteen los wou wrikken (zoals niet zo lang geleden op de beijzelde speelplaats van het Gesticht, toen hij uitgegleden was en terechtkwam tegen de zwarte welige rokken van eenzelfde tovenares, eenzelfde non, eenzelfde zwarte-mislezeres) pakte zij zijn das en sjorde er aan tot hij weer in haar geur en haar greep viel. Zij klemde zijn hoofd tussen haar handen, perste zijn wangen samen zodat zijn lippen uitstulpten. Nu komt de zoen. Beloofd is beloofd. Van zo vlakbij waren haar ogen bloeddoorlopen. Zij glimlachte. Als naar een kind. Het maakte hem woedend. Hij duwde zijn mond op de hare. Zij wendde haar hoofd af, zijn mond raakte haar wangbeen. Zij nam zijn linkeroor tussen duim en wijsvinger en schudde er aan. 'Wilt gij uw manieren houden? Ik ben het die hier commandeert. Gij peinst toch niet dat gij mij moogt embrasseren van zodra ge daar goesting in hebt.'
'Ik dacht dat...' (dat ik mijn schuld moest aflossen en daarna naar huis mocht). Zij rook naar Mama's symmetrisch opgevouwen en gerangschikt glanzend ondergoed in de tweede lade van de spiegelkast in haar slaapkamer, naar poudre-de-riz. (Ik zou nu kunnen wegrennen, want er is iets slaps, laks, iets van een overgave in haar lichaam, iets onachtzaams. Maar waarom zou ik dat willen? Als dit zo verder gaat zal er iets te beleven zijn als wat er in Papa's verborgen 'vette' boeken staat. Vele regels eindigen er op drie puntjes...)
'Ik dacht, ik dacht, nicht rasonieren!' zei Tante Nora. 'Hebt gij dat niet geleerd op school, van Albert Rodenbach?'
'Albrecht,' zei Louis.
'Ge weet het weer beter,' zei zij laatdunkend. 'En hoe gaan de regels verder, weet ge dat, alweter?'
'Weer u scherp en eind als een soldaat.'
'Juist. Precies,' zei zij. 'Allee, weer u scherp.' Zij draaide zich om en trok hem mee in de zwenking. Zijn schouder werd naar beneden geduwd. Zij lag boven op hem. Naast haar golfjeshaar zag hij haar schoentje met de lage hak de lucht ingaan en op en neer deinen. Zij kuste twee keer zijn neus, licht en klam, wreef er toen met een vinger op. 'Met uw rode neus zijt ge precies de clown Gastonske van het circus Minard.'
'Gastonske is die met het wit poeder op zijn gezicht, in zijn zilveren kostuum. Die met zijn rode neus heet Titi.'
Zij liet zich naast hem glijden. Hij hoopte dat zij een goede houding zou vinden en niet meer veranderen.
'Genoeg gezeverd,' zei zij. Een bittere trek verscheen om haar mond die dunner en breder was geworden. Zij had haar eigen mond verwoest door de lipstick ervan op zijn neus te smeren.
Met een beslist maar niet onvriendelijk gebaar legde zij zijn hand tussen haar dijen. Zij kneep toen haar dijen dicht. Zij had niets aan onder haar jurk. Toen zij zo lang in de keuken koffie zette had zij daar haar broek uitgetrokken en in de lade bij de messen en vorken gepropt. 'Mensen, waar gaan we naartoe?' zei Louis onhoorbaar met Papa's stem die schamper was en angstig.
Toen zijn vingers, onafhankelijk van zijn wil, bewogen voelde hij droge plooien, droog gras. Het verbaasde hem, want de jongens op school hadden het altijd over het natte van vrouwen daar, want als vrouwen moeten plassen van de slappe lach, dan kunnen zij daar de kraan niet afsluiten zoals mannen, of bedoelden de jongens iets anders? Was het natte het bloed dat daar uitdruppelt dagen- en nachtenlang terwijl zij daar niet ziek zijn? Ik moet daar toch zo gauw mogelijk het fijne van te weten komen.
Tante Nora trachtte overeind te komen met haar onderlichaam, maar toen hij opzij week om haar de ruimte te laten grabbelde zij in zijn kleren en trok hem opnieuw op haar neer.
Haar hand met de twee trouwringen zocht in zijn kleren en vond zijn kruis. 'Wel, wel, wat is dat voor een spel?' zei zij. Louis wou niet antwoorden op zo'n kinderachtige vraag, maar hij kreeg opnieuw de tekst voor ogen - in halfvette Perpetua-letter, corps 10, onderaan links, in het boek Flucht in den Norden van Klaus Mann - die hem de adem afgesneden had toen hij hem voor 't eerst las en die hij in de voorbije week wel tien keer had herlezen, en hij zei: 'Tante Nora, dit is mein ragendes Geschlecht.'
Zoals hij verwacht had, schrok zij en trok haar hand weg als van een hete kachel.
'Gij, ventje, gij zijt bezig met mij de zot te houden.'
Hij protesteerde. Zijn mond bracht onduidelijk gesteun uit want zij bedekte zijn gezicht met de hand die twee trouwringen droeg.
Nonkel Leon had plechtig zijn ring over haar middenvinger geschoven op het station toen hij de laatste keer naar Duitsland vertrok. Zij had gehuild van ontroering, zij, die zich tot op dat moment zo dapper had gehouden. Nu pas, nu het duidelijk was geworden dat Nonkel Leon vrijwillig bleef plakken bij die verre Hannoveriaanse lichtekooi van goeden huize, had zij het gebaar herkend als een misdaad met voorbedachten rade.
'Nee,' zei zij. 'Nee. Geen woord meer. Van nu af aan, ventje, wil ik geen woord meer van u, of ge krijgt ervan met de zweep van Victor.'
De tekkel Victor was weggekwijnd van verdriet toen Nonkel Leon maar niet terugkwam. In de versie van Tante Nora. Volgens Papa had zij, die wist hoe exclusief de genegenheid van Victor op haar verraderlijke man was gericht, het dier met een schoenveter van haar man gewurgd en het dan in haar eentje opgegeten. Papa beweerde dat hij en veter en afgekloven hondenbotten had ontdekt achter in Tante Nora's tuintje.
'Doe uw broek uit,' zei Tante Nora. Zij kon het niet helpen dat het teder klonk, zij snauwde meteen: 'En een beetje rap!'
'Mijn vest ook?'
'Uw vest ook. En uw schoenen en uw kousen.'
De Anglo-Amerikaanse bommenwerpers kwamen niet overgevlogen. Geen buurvrouw belde aan, geen Sicherheitspolizei. Het konijn Valentientje tikte niet aan de glazen tuindeur met een poezelig pootje. Het ene gele kaarsje brandde vlugger dan het andere.
'Het is proper,' zei zij. 'En kijk toch een keer, hij heeft zijn klakske nog aan.'
Wat betekende dit nu weer? Klakske. Ik wil niet meer met haar spreken. Ik ben pas van de Oeral teruggekeerd, ik heb mijn kameraden van de Vlaamse ss naast me zien vallen in de sneeuw. Als hij zich opnieuw in een hachelijk parket bevindt, dan hakkelt de Vlaamse ss-officier zijn arrogante woede, zijn verwarring, in de taal van het front. 'Wie meinen Sie, gnadige Frau?' vroeg Louis.
'Aha. Het is weer op zijn Duits! Wel, wat is het Duits woord voor het voorvelleke van een fluitje? Een Hitlerjugendklakske?' Zij schaterde het uit. 'Wel, welweter, gij die zo geleerd zijt en al die joodse boeken leest die niet van uwe ouderdom zijn?' Met iele vingers nam zij zijn voorhuid vast, wiebelde er mee. Haar plotse opgewektheid voorspelde weinig goeds. Hitlerjugendklakske. Waar had zij het in godsnaam over? Er is zo ontzaglijk veel dat ik nooit zal leren.
Tante Nora trok de voorhuid naar beneden, dan weer naar boven, schudde er zijdelings mee. 'O, krinklende, winklende waterding,' reciteerde zij, 'met uw roze kabotseke aan.'
Guido Gezelle wandelde voorbij, hij had een waterhoofd en fluisterde volkse rijmpjes voor zich uit. Alleen maar door een bakstenen wand van ons gescheiden blijft hij bij de gevel staan vlak voor dit schandelijk huis van, laten we maar zeggen: ontucht. Het woord 'ontucht', het letterlijk tegenovergestelde van de tucht die heerste, heersen moest in de rangen van de Dietse Blauwvoetvendels, maakte Louis opgewonden. Tante Nora staarde zo aandachtig naar het nu inderdaad ragende Geschlecht, dat zij loenste. 'Ah, wij zijn zover,' zei zij triomfantelijk, liet hem los en tilde haar jurk op.
Het leek op de tekeningen die de kleine Herman Polet maakte met vele zwarte en rode potloodstreepjes en die hij je soms vliegensvlug liet zien in de klas, tussen twee pagina's van zijn atlas. Herman Polet verkocht die tekeningen of ruilde ze voor vitaminen met chocoladesmaak, waar hij aan verslaafd was. Ik moet Herman Polet morgen voor de klas begint complimenteren. Het is goed getroffen. Alhoewel er hier, nu, minder haar te zien is. Het zijn ook niet die groezelige krullende potloodwormpjes die vlak onder de navel beginnen. De navel van Tante Nora was overigens onzichtbaar, hij bleef verscholen in een romige plooi. Louis had het chromoprentje, de illustratie, voor zijn neus rustig willen bekijken vooral omdat het plaatje, de gleuf uit zichzelf bewoog, een in- en uitademende diepzeeplant die een geur van zee verspreidde. (Mama pelde aandachtig garnalen op het cafeterras op de dijk van Blankenberge.
Zij blafte naar mij omdat ik, zoals altijd te ongeduldig, de garnalen opat met schaal en tien poten en al. Blankenberge is nu onbereikbaar afgesloten met kanonnen en prikkeldraad om ons te behoeden voor de invasie.)
Tante Nora opende met haar trouwringvingers de plooi. Zij zei stilletjes, een beetje verloren in de donker wordende kamer: 'Allee, weer u scherp.'
Louis lag warm, vastgeklemd. Zij bewoog nauwelijks, een kalm deinend veerkrachtig donzen dek dat gemurmel voortbracht tegen zijn nek.
'Ja mijn ventje - dat ik u al die tijd gezien heb van als ge een kneuteltje waart met uw dikke kromme beentjes in de Oudenaardse Steenweg - en dat ge nu in mijn huis - waar dat ik zo alleen ben en zo dikwijls aan u peins - dat ge nu hier zijt - nee niet zo rap alstublieft - wij hebben alle tijd mijn engel - ik kan het niet geloven - ik die dacht dat ik nooit meer, nooit meer zou - want zij zijn allemaal tegen mij, de venten - zij zien mij niet staan - ge hebt daar geen gedacht van hoe dat is ventje - alstublieft niet schieten - houd u in want anders is het zo gepasseerd - ik wil niks niks dan dat ge het warm hebt in mijn kotje - voelt ge 't, mijn soldaatje?'
Soldaatje. Louis verstarde. Zelfs al was de verwijzing naar Albrecht Rodenbach's idiote versregel onnadenkend, onwillekeurig, niet kwaad bedoeld, misschien zelfs vleiend ontsnapt aan dat geraaskal, het trof hem. Tinnen soldaatje, loden soldaatje, soldaatje van chocola. Hij zag haar fluisteren, met dichtgeperste, verfrommelde oogleden, hij ramde zijn romp tegen de hare en zei: 'Stomme, stomme koe.'
De bloeddoorlopen ogen. De slakachtige vingertjes in haar ingewand die zijn, jawohl, ragendes Geschlecht, du Ungeheuer, omvatten, knepen dichter dicht.
'Gij zijt mijn tante,' zei hij.
'Hou uw mond,' riep zij.
'Wie denkt ge wel dat ik ben?' zei hij. Nog nooit, niet in het huis van zijn ouders of dat van zijn grootvader, niet op school of op weg naar school en zeker niet in al die jaren op de kostschool had hij zozeer het zegevierend gevoel dat hij onbeschaamd, onbevreesd kon roepen wat hij wou. Hij richtte zich op, zijn ellebogen in haar vlees-in-kleren. 'Denkt ge dat ge met uw konijn te maken hebt, met iemand die van niks weet, ik vogel meer dan ge peinst, vraag het maar aan Bekka Cosijns, en denkt ge dat ik mij ga generen morgen om dit te vertellen aan...' Hij wou meegesleept door de trein (op de Wereldtentoonstelling van Luik de roetsjbaan vol gillende kinderen die ik nog overschreeuwde) van zijn opwellende, uitbottende, uitwasemende woede zeggen: ...aan mijn moeder. Maar dat zou hij nooit durven, hij wou Mama ook niet in deze kamer halen die rook naar poudre-de-riz, zee en kaarsvet, hij zei: '...aan de mensen van uw straat, dat ze erachter komen wat voor iemand dat ge zijt?'
Zij zag de verklikker, de beul, de soldaat die half op haar lag als op een haastig ineengeflanst bed te velde, op het slacht-, op het slagveld.
'O, gij smeerlapke,' zei Tante Nora. Zij sloeg haar arm rond zijn nek en als op de roetsjbaan van de Wereldtentoonstelling helde hun tweepersoonswagentje van vel en vlees en haar en kleren, zij deed Louis verder kantelen, zij ontkoppelden, zij schoorde haar benen, grabbelde, kneep, stootte, tot in een wonderbaarlijke soepele vloeiende beweging hun tweespan weer aaneenklonk, alleen nu omgekeerd, zij boven, hijgend van de krachtpatserij, zij was dit niet gewend, haar keel reutelde.
Wanneer houdt zoiets op? Er moet een afgesproken sein zijn waarop de twee worstelaars uit elkaar floepen, een eindsignaal, een alarmsirene, maar wanneer precies, dit zal ik te weten komen, ik moet opletten.
'Ziet ge mij een beetje gaarne?' Haar golvend haar bedekte zijn gezicht, zij woog niet veel, het gewicht van een veulentje, nee, van een sint-bernardshond.
'Maar zeker, Tante.'
'Merci,' zei zij en likte in zijn oor, wat bitter moest smaken.
Er was een nieuw woord waar Louis al een maand mee opgescheept zat. Hij had de neiging om het op te roepen bij waaiende boomtakken, het geruis in de radio, bij heimachines, het woord is 'de peristaltische beweging', en dit woord gebeurt nu, karnen, dobberen en de zuigende, sissende dreun van Papa's Heidelberg-pers.
Zij fluistert.
'Ge kent er niks van - ge gebaart dat ge er iets van kent maar ge zijt een bedrieger - ten andere ge gaat nooit weten wat dat een vrouw is - niet alleen ik maar ook de andere vrouwen - beweeg niet - ge zijt geen konijn - alhoewel dat ik soms zou willen dat ge een konijn waart d'r in en d'r uit en apres nous le deluge - maar ik zie u gaarne en dat kunt ge niet verdragen - het is normaal voor een vent - maar ondertussen zit ik er toch mee en moet ik er mijn plan mee trekken dat ik u gaarne zie - rijen rijen op een wagentje - zeg niet dat ik zot ben of onnozel doe - omdat ik u gaarne zie - ik wil op u rijden tot het einde der tijden - laat me doen of ge krijgt een zoen - ik ben dom ik weet het van u gaarne te zien - laat mij toch laat mij toch zeveren - ge hebt daar toch geen zeer van - ge hebt gelijk ik ben alleen maar goed om te pissen en te zeveren - maar ge hebt toch geen last van mij - o ventje waarom zijt ge weggelopen - met uw leugens - en ik die dacht dat gij daar in Duitsland af en toe aan mij peinsde en godverdomme ge lacht mij uit met die andere - ge zijt nog een grotere smeerlap dan mijn moeder zei - maar het geeft niet mijn zoetje - want ge zijt nu bij mij en ik bij u en wij zitten aan elkaar vast en vastgenageld - ge kunt niet meer weg voelt ge't - ge kunt kunt niet los - ik ga u godverdomme een keer leren rotzak - lelijk crapuul voelt ge het - het is aan het komen maar wacht o nee niet zo rap.'
Louis wachtte zoals gevraagd. Hij wachtte al een hele tijd want zij was het die dit gekolk gekreun gestamp veroorzaakte. Het konijn Valentientje zat op zijn achterste poten en probeerde een dahlia te pakken, gaf het niet op. Steeds knabbelend. Het konijn heeft ooit van God de glimlach als cadeau gekregen. Omdat het daar wat minnetjes over deed, ontnam God hem de glimlach. Sindsdien probeert het konijn de hele dag de glimlach terug te vinden, knabbelend op lucht.
Geen sirene te horen. De raf is niet stipt. Het kaarsvlammetje raakt het dagblad De Dag, de krant schiet in brand, het tapijt walmt.
'Ja weer op ons karretje - allee koetsierke juju - gij die mij gaarne ziet ik voel het ge kunt het niet wegsteken - ah dat kan niet blijven duren dat kan een mens niet uithouden.'
Haar verkreukeld gezicht. Haar lippen die weer gezwollen waren en op lucht kauwden, knabbelden. Dat ik nu in iemand anders lijf zit met een deel van mijn lijf, het is wonderbaarlijk, hoe brengt iemand het vertrouwen op, de schaamteloze overgave om zoiets te durven doen? Mijn buik borrelt en knort. Een blikken trommeltje vol keurig gerangschikte speculaasjes. In het derde jaar van de Tweede Wereldoorlog op deze planeet is het dat de kille Hitlerjugend-knaap Louis Seynaeve voor het eerst gemeenschap heeft met een persoon van het andere geslacht. Hij wordt als eerste in het Germaanse rijk onderscheiden - het is te lezen op de voorpagina van Volk en Staat, naast de foto van de vergane onderzeeer 'Heidelberg' waarvan de ruige, ongeschoren bemanning is ontploft, verscheurd, verzwolgen - met het IJzeren Kruis. Leon Degrelle, generaal, nodigt hem uit om langs de aangetreden gelederen te marcheren.
Er was een signaal te horen geweest, maar niet door Louis. Alleen Tante Nora ving het op. Zij steigerde. Zij kreunde. 'Gaarne zien - het is toch het gemakkelijkste - het komt - voelt ge 't niet? - Gaarne zien wil ik en ik wil u niet kennen - o zeg niets alstublieft - verruckt bin ik van binnen - o.'
Als zij zo doorgaat glijd ik uit haar, dat mag niet, dat is pas oneer.
Het lichaam van de ridderkruisdrager sloot aan, zo zeer dat hij het was die een gleuf vormde waar zij, een vreemdeling van een man, in stootte, hij werd platgeperst door de zonderlingste schokkende Mazurka-ter-plekke.
'Nooit nooit,' schreeuwde Tante Nora. De drievoudige rij buren die buiten op het voetpad luisterde, hun lange roze oren plat langs hun slapen. 'Nooit meer, nog, meer, alstublief, o, o.'
Zij plette haar kin tegen zijn oogkas. Hij zag wriemelende lichtvlekken. Zij beet in zijn onderlip, hij proefde bloed. Zij schraapte langs zijn wang met de hare en hij dacht een ogenblik dat zij slechtgeschoren was. Toen sprong zij van hem los en viel neer met haar elleboog dwars over zijn keel. 'Tante!' riep hij. Zij zakte languit langs de zetel op het tapijt dat niet walmde. Zij huilde. De buren buiten drongen tot vlak bij de bakstenen gevel die trilde, de muur zelf snikte en kermde met haar stem die niet wilde bedaren, de klaagmuur van Jeruzalem.
Tante Nora knielde en knoopte zijn broek dicht. Dat wat overeind was blijven staan had zij als een popje in zijn hemd gewikkeld. Zij wreef haar tranen weg met haar mouw. Hij knipperde met zijn linkeroog en kon er weer mee zien.
'Ik ben slecht,' zei zij. Hij wou dit beamen maar ze zei: 'Want ik heb u niet eens goed verzorgd. Ik heb alleen aan mijn eigen gepeinsd.'
Louis dacht dat dit het moment was om, unverfroren, de doos met de speculaasjes op te eisen. Maar hij deed het niet, het leek op: voor wat hoort wat. Morgen zou hij Herman Polet complimenteren met de gelijkenis. Hij zou zeggen: 'Polet, zij lag op haar knieen en borg mijn fluit op.'
'Uw scheidsrechtersfluitje zeker,' zou Herman Polet zeggen, atlas onder de elleboog.
Kalm liep de vrouw toen door de kamer, deed het licht aan, zocht naar de spelden, stak haar haar weer op en werd weer ongeveer de zuster van zijn vader die zachtjes zei: 'Dit blijft onder ons, he, ventje? Afgesproken?'
Ventje. Nonkel Leon in lilliputtervorm. Zij reikte hem zijn schooltas aan. Hij kreeg ook nog zes sigaretten mee voor Mama.
==
'In Veertien-Achttien,' beweerde Tante Mona, 'is Hitler door een ongelukkige toevallige Engelse kogel getroffen geweest. En dan hebben ze een kloot moeten amputeren.'
'Volgens mij is die kloot bij de kleine Adolf niet gezakt en zit hij nog in zijn buik.'
'Vandaar dat hij altijd zo koleirig is, de Fuhrer.'
'Zoiets moet op het gemoed werken.'
'Vandaar dat hij niet getrouwd is.'
'Lijk de priesters. Zo kunnen ze zich helemaal aan hun ambt en aan hun ideaal wijden.'
'Vandaar dat hij zo tegen de Engelsen is.'
'Maar Mona, hij is nooit tegen de Engelsen geweest. Het zijn de Engelsen die tegen hem zijn. Von Ribbentrop heeft zijn hand uitgestoken maar Churchill heeft er in gespuwd.'
'Wat is er met u, Louis, ge loopt zo gejaagd?'
'Hij is aan het muiten,' zei Cecile flutterig.
'Zeverkous, piskous!' riep Louis.
''t Is de groei. Hij gaat een lange pers worden lijk zijn grootvader.'
'Het is normaal. Een man is gemiddeld twaalf centimeter groter dan een vrouw.'
'Ik krijg niets anders dan een snauw en een grauw van hem tegenwoordig,' zei Mama. 'Ik kan er toch niets aan doen dat hij altijd honger heeft.'
'Hij heeft een lintworm,' zei Cecile en ontweek Louis' klauwende hand.
==
Tante Berenice zat in de keuken. Streng, zonder de bete glimlach van haar geloof in de Wederopstanding. 'Staf Seynaeve, ge moogt content naar uw bed gaan vanavond. Gij hebt verkregen van de duivel wat ge altijd hebt gewild. Het liefst zou ik willen dat ge zoudt doodvallen voor mijn ogen, maar mijn godsdienst verbiedt zulke gedachten. Toch ga ik u niet mijn andere wang presenteren.'
Mama schonk een raar aftreksel van lindebloesems die Tante Berenice meegebracht had. Het schijnt dat de Hollanders dat regelmatig drinken.
'Maar wat kan ik daar nu aan doen dat uw Firmin opgepakt is? Hij had maar geen vals paspoort moeten tonen.'
'Had hij zijn eigen naam moeten opgeven dan, Debeljanov?'
'Uw paspoort vervalsen, daar is een wet voor. Een wet tegen.'
'Die wet is niet van God.'
'Dat moet ik toegeven,' zei Papa. 'Het is een wet van de Belgen.'
'Is uw hart zo versteend dat gij Firmin gaat laten rotten in de gevangenis van Luik?'
'Wat moet ik doen?'
'Een woordje voor hem bij de Gestapo. Gij zijt daar toch kind aan huis.'
'Dat is veel gezeid, Berenice.'
'Als de Duitsers zulke chique, rechtvaardige rechters zijn zoals ge denkt, dan zullen ze naar u luisteren, zelfs al komt ge op voor een jood die geen jood is maar een Bulgaar. De Duitsers zullen het respecteren dat ge opkomt voor uw familie.'
'Aangetrouwde familie.'
'Hij kan niks. Hij kent niemand van de Gestapo,' zei Mama zakelijk.
'O nee? Ken ik Rathaus niet misschien?'
'Ge hebt hem een keer een hand gegeven op dat feestje van DeVlag. Ge zeidt: ''Angenehm" en die man verstond niet wat het was.'
'En gij, Constance, kunt gij niks doen?'
'Misschien,' zei Mama. 'Ik kan u niks beloven, Berenice, maar ik ga mijn best doen. Misschien mijnheer Groothuis inschakelen.'
'Ah nee, laat mijnheer Groothuis hier buiten,' riep Papa.
'Doktor Knigge dan. Dat is nogal een meevoelend mens.'
'God zal het u lonen, Constance.'
Toen Tante Berenice vertrokken was goot Papa meteen de lindethee in het aanrecht. 'Met hare God hier en hare God daar. Dat ze naar hare God telefoneert, dat Hij bij de Gestapo gaat pleiten.'
'Het is een feit dat de joden een sterke greep hadden op de kranten, de cinema's, de banken, samen met de vrijmetselaars,' zei Peter. 'En dat ze daar nu de rekening moeten voor betalen.'
'Het is teken dat zij slimmer waren dan de Belgen, vader,' zei Mama.
'En dat het een tijdje zal duren voor ze weer in de gemeenschap der volkeren zullen opgenomen worden.'
'Maar dat willen zij niet,' riep Papa. 'Zij willen samenkruipen, met hun pretentie van het uitverkoren volk, met hun eigen rare zeden en gewoonten.'
'En wat wilt gij met uw samenhorigheid van alle Vlamingen?' zei Mama.
'Constance, dat is niet te vergelijken.'
'Waarom niet?'
'Het zijn houtwormen,' zei Papa. 'Schone praatjes en ondertussen hebben ze een Vlaamse pink vast en een hand en een arm en heel het lichaam. En het staat in hun speciale Tien Geboden dat ze al het vrouwvolk van een ander ras mogen pakken, dat wordt hun geleerd door hun rabbi's. Maar waar spreken we over? D'r zijn hooguit tien joden in heel Walle!'
'Hoe komt het toch dat Firmin hier in Walle gepakt werd?' vroeg Peter.
'Hij was met Berenice op weg naar hier,' zei Mama treurig.
'Wat we zouden moeten doen,' zei Papa, 'in deze kwalijke tijden waarin alleman op zijn eigen leeft en zijn medemensen vergeet, dat is de solidariteit in de gebuurte weer aankweken. Wij zitten allemaal in hetzelfde schuitje, geen eten of weinig eten en die bommenwerpers boven ons hoofd, wij zouden ons allemaal moeten samenslaan om onze tijd op aarde zo aangenaam mogelijk te maken. En daarom heb ik hier een proefdruk van de uitnodiging voor een Schone Bonte Avond voor de gebuurte. Er is te veel materialisme onder de mensen, daar moet iets aan gedaan worden. Hier, van boven in de Garamond ziet ge: 'Door Eigen Werk Sterk'. Daarboven moet er nog wat publiciteit komen, ik dacht aan mijnheer Groothuis, zijn tapijten zijn wel niet te betalen maar hij gaat zijn reclame willen verzorgen, dat komt toch bij de algemene onkosten van zijn firma.' Hij las in het schoon-Vlaams voor. 'In de zaal 'Groeninghe' Groot Winterfeest gegeven door de plaatselijke bevolking onder leiding van Staf Seynaeve. Programma. Een. Het gebed voor Vlaanderen. Zij kennen dat wel niet, maar ik zal het afdrukken en voor drie frank 't stuk kunnen ze 't mee zeggen. Twee. Een woordje van de Voorzitter. Ik zeg dat ik content ben dat we hier allemaal samen aan een zeel trekken, wat we ook van de oorlog en zijn mogelijke gevolgen peinzen. Drie. Dolle klucht in een bedrijf, daar moet ik het kluchtenboek over naslaan. Bijvoorbeeld: 'Dries, de dwaze veldwachter'. Vier. En hier heb ik het al gedrukt, vader, zonder u om permissie te vragen, ''Buitengewone spreekbeurt door de befaamde en in onze streek welgekende redenaar Hubert Seynaeve over de Seltische beschaving".'
'Keltisch, Staf.'
'Keltische beschaving. In korps Acht staat er onder: ''Voor de eerste maal in Walle. Uiterst leerrijk en onderhoudend".'
'Verder, Staf.'
'Vijf. Kluchtlied. 'Op onze Burgervader'. Daar zorgt apotheker Paelinck voor. Een serie kleine pikuurtjes over de grond die de burgemeester gekocht heeft op 't Hoogeland. Maar niet te gepeperd, want de burgemeester is nogal gauw gekwetst de laatste tijd. Daarna vijftien minuutjes pauze met aangename fonomuziek.'
'Jazz,' zei Louis.
'Louis, alstublief. Werk eens een beetje mee!'
'Du und ich im Mondschein auf einer kleinen Bank allein,' zong Louis, Mama zong mee. Zij wiegden met hun hoofden samen, dicht bijeen. Papa wachtte tot zijn ontaard gezin klaar was. 'Na de pauze, door Mona Vercauteren streepje Seynaeve het lied: 'Ik wil maar eene Moeder'.'
'Cecile zou kunnen dansen tijdens het lied van Mona.'
'Dat zou magnifiek zijn. En toepasselijk. Ja. Dan optreden van het plaatselijk duo De Zonnekloppers met een lachnummer. En dan het slotwoord door de Eerwaarde Heer Proost van de Marine-Artillerie. Goedverwarmde zaal. Iets buitengewoons. Deuren open om Vier Punt Dertig Ure. Uitgangskaart verplicht bij elke uitgang, enzovoort enzovoort. Verantwoordelijke uitgever Staf Seynaeve.'
'Uw naam staat er drie keer op,' zei Mimi de bakkerin.
'Het is misschien een beetje ouderwets,' zei madame Kerskens-van-de-overkant.
'Ik dacht eerst nog aan Vendelzwaaien, maar voor onze gebuurte is dat te flamingant,' zei Papa.
Peter zei lijzig: 'En gij, Constance, wat gaat gij doen in dit familiaal festijn?'
Mama bleef een verwoestend signaal uitzenden met haar grijze met goud doorspikkelde pupillen. 'Ik?' zei zij. 'Ik zou in mijn blote kont kunnen dansen.'
'Constance,' zei Papa. 'Kunnen we nu eens nooit serieus redeneren?'
==
Tante Nora zei: 'Wel, Louis, zegt ge geen goeiendag meer tegen mij?'
'Dag, Tante Nora.'
'Constance, gij zijt vermagerd! Ik spaar het eten uit mijn mond voor onze Nicole en ik blijf maar vervetten, ik kan in niet een zomerkleedje meer. Louis, ge hebt mij wat gelapt met uw laatste lading boeken. Over boerenopstanden in 't jaar Zeventienhonderd. En dat andere, van die vent die verandert in een kever. Hij wordt wakker, Constance, en hij heeft sprietels lijk een kever. Ge kunt u aan alles verwachten de dag van vandaag, maar dat is toch meer voor onnozele kinderen.
Ge moet niet zo naar mij kijken, Louis. Ben ik zwart misschien? Doet hij altijd zo raar, Constance? Als ik hier niet welgekomen ben, Louis, moet ge 't mij maar zeggen.'
==
'Marnix mag niet meer binnen in 'Groeninghe',' zei Leevaert.
'Spreekt hij weer?'
'Hij houdt niet op. Ge kunt hem geen muilband aandoen natuurlijk, maar soms zou 't 't beste zijn. Verleden week staat hij te converseren aan de toonbank met Noel, een model van een uiteenzetting overigens, over het objectief toeval, ik heb het zelfs aan mijn leerlingen doorgespeeld 's anderendaags, maar wat Noel niet in de gaten had was dat Marnix de hele tijd tegen de toonbank stond te pissen. Zonder een spier in zijn aangezicht te vertrekken.
En in de Onze Lieve Vrouwekerk mag hij ook niet meer binnen. Hij heeft ruzie met de nieuwe pastoor, die kwaad geworden is omdat hij verleden zondag 'Mon legionnaire' van Edith Piaf speelde tijdens de mis. Al het vrouwvolk snotterde, en de pastoor dacht eerst dat het door zijn preek kwam. Ik zeg: ''Mijnheer de pastoor, iedereen verwerkt rouw op zijn eigen manier." "Hij komt mijn kerk niet meer binnen," zei hij.'
'Rouw,' zei Mama. 'Rouw, Louis, dat zal uw vader nooit verstaan. Rauw, ja, dat verstaat hij, rauwe mosselen, rauw gehakt.'
==
Vuile Sef, in burger, leek gekrompen.
'Ik wilde zo nodig de wereld zien. Wel, ik heb hem gezien. Nu blijf ik thuis, goed weten.'
'Zullen ze u niet komen halen, van uw regiment?'
'Ik ga niet op hen wachten. Ik heb genoeg gezien. Ik heb genoeg groen gelachen. Spreek me niet over Italie. We zijn daar weggesprint aan honderd per uur. Met een troost, dat we die schijters van Macaroni's hebben achtergelaten. Maar wel gelachen. Wij hadden zes Nieuw-Zeelanders gevangengenomen. Een dorst dat die gasten hadden. Zij konden niet lang zonder hun Coca-Cola.
''What's your name," zegt er een die gynaecoloog was. Ik zeg: ''Sef. Vuile Sef. Dirty Sef," en elke keer als zij mij zagen zongen ze van: ''Dirty Seffie from Bizerte, fucks the captain, makes me flirty, o, he's very purty, Dirty Seffie." En ik, ge kent mij, romantisch als ik ben, ik heb nog gedanst voor hen op mijn pumps, in mijn deux-pieces de avond dat zij er aan gingen, alle zes. Alle zes fertig gemacht, wij konden ze niet meeslepen. Onze Leutnant kroop in de Honey...'
'De Honey?'
'Een Stuart M. Drie-tank die wij veroverd hadden en hij reed ze in de grond. Dertien ton over die zes gasten. Ik heb te veel gezien, ik blijf thuis.'
'Doktor Knigge vraagt of ik met hem meega naar Parijs,' zei Mama. 'Ik zou wel willen maar ik kan dat niet doen tegenover uw vader. Hij roept nu al de hele tijd ''hoer" naar mij. Weliswaar in koleire. Maar toch. Nee, als het nu nog naar Rijsel was of naar Reims met de kathedraal. Maar Parijs? Nee, hij zou het mij nooit vergeven, uw vader. Omdat we daar op trouwreis zijn geweest.'
'Dat moet ge toch verstaan, Constance, dat mijn broer daar schone herinneringen wil blijven aan houden,' zei Tante Mona.
'En mijn herinneringen dan? Heel de dag op stap, de Sacre Coeur, al die trappen op, het graf van Napoleon en de rest. Maar op een gegeven moment moest ik terug. Staf had op voorhand voor een week betaald maar na twee dagen moest ik terug want in het hotel hadden ze zo'n Franse wc, een gat in de grond en daar kon ik niet op gaan, ik ben naar drie-vier cafes gegaan maar daar was het overal hetzelfde, een porseleinen gat in de grond, en ik kon niet, met de beste wil van de wereld, ik had krampen. ''Maar Constancetje toch," zei hij, ''in Frankrijk is dat zo." Ik zeg: ''Het is gelijk, ik kan niet, ik ben zo niet opgevoed."'
'Maar hij kon wel.'
'Dat heb ik hem niet gevraagd.'
'Nee, in die tijd vroeg men zoiets niet aan iemand waarmee men vers getrouwd was.'
'En toen wij in Walle terug waren kon ik ook niet. Rabarber, gedroogde pruimen, niks hielp.'
'De nacht van mijn trouw,' zei Tante Mona, 'ben ik in de kleerkast gekropen, met de deur op slot. En Ward maar bonken en vloeken. 's Ochtends heeft hij het slot eruit gekapt met een beitel.'
'En heeft hij mij gemaakt,' zei Cecile en zoog op haar duim, zoals ze nu al jaren deed, hoeveel jodiumtinctuur haar moeder ook op haar duim streek.
==
'Churchill,' zei de leraar Engels, 'komt nu pas tot zijn recht, de oude buldog. Zijn voorvader Marlborough werd al door de dichter Addison vergeleken met, noteert, ja gij ook Seynaeve, noteer: ''an angel guiding the whirlwind." Dit bij de slag van Blenheim.'
'Seynaeve,' zei hij en het is eerder Papa's naam dan die van Louis, die hij zo walgend uitspreekt. 'Ik moet u de groeten doen van de Eerwaarde Heer de Launay. Hij vroeg mij zijn kamer op te ruimen en zijn bezittingen te verdelen onder zijn kennissen.'
'Waar is hij?'
'In een kamp. Meer kan ik u daar niet over mededelen.'
'Maar u weet waar?'
'Hoe minder iemand als u, Seynaeve, weet, hoe beter. Dit heeft hij voor u bestemd.' Hij overhandigde een geel stukgelezen slap boek. Louis rook eraan in de gang. Muf. Lijm. De soutane van de Kei met een vleugje scheerzeep? Nee. Muffig, rokerig. L'Anthologie Grecque, Editions Garnier Freres, Paris.
Naast het titelblad stak een gevouwen blaadje met aantekeningen in Kei's voorzichtig, schuin en rond handschrift. 'Laat ons vluchten, ongelukkige geliefden (minnaars?) zolang de pijl niet op het koord (touw) zit (is). Weldra, ik ben er de bode (profeet) van, zal er een grote brand (vuurhaard) zijn. Philodemus. (Marcus Argentarius? Bassus?) De bibliotheek van Philodemus: half verkoold onder de lava in de villa van Piso, Herculaneum.'
Op het schutblad stond in rood potlood: Koinonia.
Samen. Samenhorig. 'Leer Grieks. Elke dag. Ga nu. Vlug.'
==
'Hier Louis, kerel, neem nog een schepje mayonaise, ge vindt er niet veel zulke zelfgemaakte. Ge gaat ver moeten zoeken.
Ah, ik was ook mager als ik zo jong was. En ook boeken lezen, lezen lijk gij. Maar ja, 't leven gebiedt.
Wat peinst ge van mijn mayonaise? Zelf gemaakt, want onze Monique mag er niet aankomen als ze haar affaires heeft, want dan schift de mayonaise, onthou dat. Maar ja, ge zijt nog jong, wat weet gij van mayonaise?'
'Dat het woord van Mahon komt.'
'Mahon?'
'Hoofdstad van Menorca.'
'Tiens, wie had dat gepeinsd?'
==
Geen reserves meer, de Duitsers? Maar jongens, kijk die jonge gasten eens aan. Met kruit in hun vel! Wat zijn dat voor nieuwe uniformen? Nooit gezien, helegans in 't leer.
Wij gaan komen, zegt de Engelse radio. Maar als zij landen en ze zien die doodskoppen op die jongens hun muts, gaan ze koersen lijk kangoeroes, de tommy's. In hun plat helmpje gaan ze kakken van benauwdigheid!
==
'Ik verouder,' zei BoMama, 'en het gaat rap en het doet zeer. Ge ziet uw familie rekenen: ''Zoveel jaar of zoveel maanden nog." Maar ik moet nog een tijdje meegaan, ik wil niet vertrekken voor hem. Louis, hij moet eraan voor mij. Ik bid er alle dagen voor, 's ochtends vroeg al, voor dat ik mijn tanden insteek. En hij moet branden in helse pijnen om wat hij mijn kinderen heeft aangedaan, anders zit de wereld zo verkeerd ineen dat ge gaat twijfelen aan Onze Lieve Heer. Want lijk of dat hij nu open en bloot voor heel Walle bij zijn dochter woont, heel de stad spreekt er schande van, zelfs Mijnheer de Kanunnik de Londerzeele die hem altijd de hand boven het hoofd houdt, heeft gezegd en plein public: ''Het is misschien het verstandigste niet." En Mona, zij is nog nooit zo vriendelijk geweest, ''Maatje moet ge niet wat compote van stekelbezen? Maaatje, is er niets te naaien of te wassen?" Ik zeg: ''Mona, hoe is het met uwe vent?" "Maar maatje toch, Gaston van den Driessche is mijn vent niet, al geeft hij zijn weekgeld af tot op de laatste frank, hij is mijn amant." Ik zeg: ''Mona, ge weet wie dat ik bedoel. Uwe vent die heel zijn leven mijn vent geweest is."
''Moeder," zegt ze, want als ze nijdig is noemt ze mij 'moeder', ''Moeder, ge zijt weer aan het stoken en aan het vuilemuilen. Mijn vader woont bij mij omdat hij hier zijn verzorging niet kreeg, maar een paar kousen meer had en dan nog met zulke gaten in. En ik kan me nu met hem bezighouden, ik heb nu tijd." Ik zeg: ''Omdat uwe Veldmaarschalk er niet meer is." "Feldwebel," zegt ze, ''Moeder, en ge moet uw neus niet optrekken want ge hebt brood en spek en margarine en chocola gehad door die Feldwebel." Ik zeg: ''Ja, van dat zuur brood!"' 'Het was toch voedzaam!" roept ze. Ik zeg: ''Ja, maar het is zuur en als ge dat als Belg niet gewoon zijt, smaakt het u niet."'
==
Raspe's hand was afgezet. 'Eerst dachten ze dat ik het expres gedaan had, omdat het mijn trekvingers zijn, dat ik ze expres had laten bevriezen. Ik kom van Wachteren. Daar hebben ze allemaal hun kazak gekeerd. Ik kan het hun wel uitleggen maar ze willen het niet verstaan, zij wachten op de regering van Londen die terugkomt, zeggen ze. Ik zeg: ''Maar mensen, wat hebt ge ooit van de Belgische Staat gekregen? Vernedering. Mensen, wat hebben we te verliezen? Zou de Engelsman ooit winnen, het is te zeggen de Rus, wat zijn dan nog de kansen voor Vlaanderen?" Ze lachen. Ik zeg: ''Vaderland" of ''Arbeid". Ze lachen. Ik zeg: ''Mensen, wat is Belgie? Hooguit een hoop goudreserves en het politiek crapuul dat het beheert en onder elkaar verdeelt. Wat is dat vergeleken bij ons volksdom..."'
'Ons volk dom?'
'Ach, lach ook maar. Mensen, ons volksdom, ja desnoods onder het zonneteken opgenomen in het geheel. Van Rijsel tot in Polen, een land.'
Maar later nadat hij menig glas had gedronken van Tante Helene's erwtenbrouwsel (drie uur koken, koud laten worden, filteren, dan een groot pak salie erin en dat laten gisten) zei Raspe: 'De Duitsers hebben ons op flessen getrokken. Wat kan hen ons idealisme schelen? Vlaams Legioen, het is gauw uitgesproken, maar we worden toch gecommandeerd door Pruisen en Beiers. Maar ge kunt er niet onder uit. Ge hebt de eed van trouw gezworen. Ja, met mijn hand die ik niet meer heb.'
==
'Louis, vindt ge niet dat uw vader zo dikwijls naar madame Kerskens-van-de-overkant gaat? Hij snijdt er de rozen, maait er het gras, ik denk dat hij zelfs haar schoenen kuist, ik kan de blink niet meer vinden. Natuurlijk, ge weet weer van niets, gij, jezuietenjong. Niet dat het mij wat kan schelen. Laat hem zijn gerief maar elders zoeken, bij mij gaat hij het niet vinden. Maar gij zoudt hem een keer, zo tussen neus en lippen door, moeten vertellen dat zijn madammeke Kerskens-van-de-overkant regelmatig in een bad vol champagne zit bij mijnheer Groothuis als hij zijn feestjes geeft. Hij is wel van de verkeerde kant, mijnheer Groothuis, maar hij haalt toch vrouwvolk in huis voor de andere industrielen. Zoals hij altijd op twee paarden wedt. Want na de oorlog zullen de mensen ook weer textiel en tapijten nodig hebben.
Goed, vertelt ge 't hem, Louis, van madame Kerskens-van-de-overkant? Want gij kunt dat goed, he, overbrieven en verklikken? Daar zijt ge een kei in.'
==
'Geachte Mijnheer Seynaeve, met meer dan belangstelling heb ik uw zending van drie gedichten gelezen en naar mijn bescheiden mening heeft u een uitgesproken talent. Het komt evenwel niet volledig tot zijn recht vanwege de vrije versvorm, die mijns inziens in Vlaanderen zijn tijd gehad heeft. Een nauwgezette studie van de klassieke vormenleer zoals u die kunt aantreffen in Het literaire Kunstwerk van W. Kramer, en Ritme en Metrum van A. Verwey zou u zeker niet schaden. Ik veronderstel, gezien de overgevoelige en weemoedige toon in uw zeker niet onverdienstelijk werk, dat u vrij jong bent. Dan wens ik u veel voorspoed en wilskracht want gij vertegenwoordigt de toekomst van ons volk. Met Dietse groet, J. Willemijns, lic., redactie Kunst en Letteren van Volk en Staat. P.S. Ben ik abuis als ik veronderstel dat 'Een wolk' geinspireerd werd door Holderlin's 'Es hangt ein ehern Gewolbe'?'
'Abuis, abuis, abuis,' gilde Louis tegen de wanden van zijn kamer. De echo van zijn stem wekte buiten het trompetje van de ijscokar. Bij de kar met de broodmagere pony stonden flierefluiters al te likken. Holderlin's plagiator rende naar beneden.
==
'De Atlantikwal,' zei apotheker Paelinck, 'daar zitten serieuze gaten in. En dat komt, ge weet dat ik mijn woorden wik en weeg, omdat de Duitsers zo stom zijn geweest om er Hollanders aan het werk te zetten. Ik ben voor Groot Dietsland, dat is bekend, maar die Hollanders erbij, dat is een grove vergissing. Redeneer eens. Een Hollander is eerst en vooral een commercant, dus dat wil zeggen dat vanaf de meestergast tot de simpelste metselaar iedereen op het materiaal verdient. Bijvoorbeeld, op een bunker die een dekkingsdikte van twee meter moet hebben brengen ze een aantal centimeters minder aan, op heel de breedte van de Atlantikwal gaan zo veel guldens in de Hollander zijn binnenzak. Ze verdienen op het beton, op het staal, op de schroeven, op de planken. De Duitsers die daar zitten zijn stekeblind, want de meesten zijn daar in Genesungsurlaub of het zijn zulke beginnelingen dat zij als zij landmijnen moeten leggen over hun eigen voeten struikelen en over een draad en de lucht ingaan.'
==
'Zij hebben een ventje opgepakt, een Waal, hij had die witte duif nog in zijn hand. Een Engelse duif met geheime documenten op rijstpapier aan zijn pootje. Zij hebben hem direct tegen de muur gezet.'
'Direct? Zij gaan vooreerst zijn oren schoon uitgekuist hebben.'
==
'Uw oren? Wat is er van?' zei Tante Helene die Louis' haar veel te kort geknipt had.
'Zij steken zo uit.'
'Maar dat is mode. Zoals bij Clark Gable. Het vrouwvolk ziet dat gaarne. En daarbij, alle Seynaeves hebben zulke oren. Kijk maar naar uw Peter. Maar die laat zijn oren nu hangen. Mona laat hem geen minuut gerust, zij is jaloerser dan als zij zijn vrouw zou zijn.'
'Tante Helene, is Cecile een kind van Peter?'
'Zijt ge zot? Wie vertelt dat? Louis, ge moet niet naar zulke vertelsels luisteren! Alhoewel...'
'Alhoewel wat?'
'Cecile lijkt in ieder geval meer op een Seynaeve dan op Ward. Zij heeft niets van Wards dikke lippen of van zijn kiekenoogjes. Maar dat wil niets zeggen.'
'Nee. Ik lijk ook niet op mijn vader.'
'Meer dan ge denkt.'
'Ikke? Ikke? Niet waar. Ge houdt mij voor de zot!'
'Gij kunt het niet wegsteken dat ge een Seynaeve zijt.'
'Niet waar! Niet waar!'
==
Een bezorgd besje belde aan.
'Madame Seynaeve, ik heb gewacht tot ik uw man heb zien weggaan. Ik weet dat ge meer dan genoeg dingen aan uw hoofd hebt, omdat ge zeer goed zorgt voor de jongens van de erla, en misschien zegt ge tegen mij: ''Madame, begin hier niet over, dat is het departement van mijn man." Maar ge hebt geen telefoon en ik heb al drie kaartjes naar dit adres gestuurd, die uw man voorzeker in de vuilbak heeft gesmeten. Het is lelijk om te zeggen maar uw man, Madame Seynaeve, is een deugniet. De laatste keer dat ik hem gezien heb was op de vergadering van de drukkers en daar deed hij alsof hij mij niet kende, ik ben er wekenlang ongemakkelijk van geweest, zo'n affront in tegenwoordigheid van de andere drukkers. 't Is maar om te zeggen dat ge misschien op de hoogte zijt van wat er mijn man is overkomen, een goeie man maar voor 't ongeluk geboren, hij heeft een hersenbloeding gehad en tot nu toe was hij meestal goed en normaal, maar af en toe krijgt hij toch zijn scheuten naar gelang hij zit te broeden op het een of het ander, het is een emotiemens, Madame, direct in vuur en vlam en bezorgd voor de anderen en dan moet ik hem wel in de kelder opsluiten waar dat niemand hem kan horen, zijn zuster Ottilie had dat ook, die hoorde altijd glas rinkelen in haar hoofd en liep rond met borstel en blik, zoekende naar scherven. Enfin, Madame Seynaeve, ik ben er nu mee verzoend, mijn man gaat niet beter worden, wij gaan hem niet meer uit de kelder halen, want ik durf hem niet naar het zothuis te brengen, want daar mismeesteren zij de mensen expres met hun nieuwe medicamenten, omdat zij denken dat het niet de hersenen zijn die iets mankeren maar de lever of de gal, enfin om 't kort te maken, Madame Seynaeve, ik heb mijn man zijn papieren nagekeken met de notaris en ik heb die schuldbekentenis van u gevonden voor honderdduizend frank, wat gaan we daarmee doen, Madame? Ik, met mijn vier kinderen, moet alles bijeenschrapen wat ik kan.'
'Honderdduizend frank,' zei Mama.
'Zegt alstublief niet dat ge van niets weet.'
'Maar ik weet van...'
'Zegt alstublief niet dat ge ze mij na de oorlog gaat teruggeven!'
'Kalmeer u, Madame.'
'Als ik ze niet krijg, kom ik uw huis in brand steken!'
'Madame...'
'Uw man verdient geld met hopen. Hij krijgt het dubbele van het papier van andere drukkers omdat hij alleen werkt voor DeVlag, hij heeft het zelf gezegd op de vergadering!'
'Madame, mijn man...'
'Is nog lang niet klaar met mij,' brieste het besje.
'Een potje koffie, Madame?'
'Is 't echte? O ja. Bedankt. Gij zijt een goed vrouwmens, Madame Seynaeve.'
==
'Ge hebt gelijk, Staf, ik heb die schuldbekentenis met uw naam ondertekend en ik had er u moeten over spreken,' zei Peter. 'Maar ge zoudt u ook kunnen afvragen waarom ik dat geld bij die drukker geleend heb.'
'Ik vraag het mij af, vader.'
'Omdat ik liever niet officieel geld leen. En waarvoor had ik dat geld nodig? Precies, om het aan u te geven zodat ge dit huis zoudt kunnen kopen.'
'Geven? Maar de huur die we aan u betalen, vader, is veel hoger dan de rente die gij aan die drukker betaalt,' zei Mama poeslief.
'Constance, laat vader uitspreken.'
'Het is simpel,' zei Peter. 'Als wij die honderdduizend terug moeten geven, dan doen wij dat. Wij verkopen het huis, er zijn liefhebbers genoeg met zwart geld.'
'En wat doen wij met de winst?'